Sincfala - Museum van de Zwinstreek

Lezing 1302: tussen werkelijkheid en mythe, tussen symbool en identiteit - zondag 22 november Afdrukken E-mailadres
AddThis Social Bookmark Button

Zondag 22 november 2009 om 10u - door  Véronique Lambert (Museum Kortrijk 1302)

VeroniqueLambert_klein

De Guldensporenslag die op 11 juli 1302 werd uitgevochten op het Groeningeveld bij Kortrijk was slechts een van de vele militaire confrontaties die zich hebben afgespeeld tijdens de Frans-Vlaamse oorlog die duurde van 1297 tot 1320. Dit conflict had een aanvang genomen op het moment dat Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen, zijn leencontract met Filips IV de Schone, koning van Frankrijk, opzegde. Het ging in oorsprong dus louter om een feodale oorlog tussen leenheer en vazal. Tijdens de laatste decennia van de dertiende eeuw waren er in het graafschap Vlaanderen echter ook diverse andere conflicten aan de gang: sociale onlusten in de steden, spanningen tussen de graaf en de stadsbesturen, interstedelijke conflicten, dynastieke twisten tussen de Dampierres (Vlaanderen) en de Avesnes (Henegouwen) en rivaliteiten tussen de ‘Engelse partij’ en de sympathisanten van de Franse kroon. Bij het begin van de veertiende eeuw polariseerden al deze conflicten zich rond de tegenstelling tussen de koningsgezinde leliaards en de graafgezinde liebaards of klauwaards. Noch de leliaards, noch de liebaards vormden een stabiele groep die onder één homogene sociale, economische, culturele, feodale of ‘nationale’ noemer kunnen gevat worden. Er was bovendien voortdurend overloperij aan de gang van het ene kamp naar het andere. Dit gebeurde naar gelang de omstandigheden, vanuit materiële en opportunistische overwegingen of uit schrik voor represailles. De partijkeuze werd bepaald door politieke, economische, materiële en sociale motieven, niet door een identiteitsbesef, een Vlaams bewustzijn of een nationaal gevoel.

(14)_St._Petersburg_MsE88f373rOok al had de Guldensporenslag niets met nationale identiteit te maken, toch groeide deze gebeurtenis uit tot hét symbool van de Vlaamse identiteit. De verklaring hiervoor moet in de eerste plaats gezocht worden in de afloop van de veldslag. Voor het eerst in de geschiedenis van West-Europa behaalde voetvolk de overwinning op een ridderleger. Het Franse elitekorps werd genadeloos en tot hun grote schande in de pan gehakt door wevers, volders en andere ambachtslieden. De vernedering voor de Fransen was groot. De overwinningsroes die het graafschap Vlaanderen in zijn greep kreeg, was enorm. In die euforie kwam de collectieve, nationale trots tot leven en kreeg het conflict een nationale interpretatie aangemeten. De diverse belangen van de verschillende sociale groepen die in de aanloop tot de veldslag op het spel hadden gestaan, werden in de vergeethoek gedrukt en de Frans-Vlaamse tegenstelling werd steeds meer beklemtoond. De strijd van dé Vlamingen tegen de Franse overheersing en voor de bevrijding van het vaderland bleven in het geheugen achter. Die versie van de feiten werd door de geschiedschrijvers op perkament vastgelegd en nam op die manier de gedaante van historische werkelijkheid aan. Terwijl de contemporaine geschiedschrijvers het feodale aspect van de oorlog, gekoppeld aan de sociale, economische en dynastieke conflicten, nog goed doorhadden, schreef een Vlaamse monnik omstreeks 1325 de populaire versie van de Guldensporenslag neer: op 11 juli 1302 behaalde een handvol Vlamingen de overwinning op een reusachtig Frans ridderleger; ze streden op de Groeningekouter voor het behoud van de wetten en vrijheden van hun vaderland. Vanaf dat moment zien we een ononderbroken lijn in de Vlaamse en later in de Belgische geschiedschrijving. Het verraderlijke karakter van de Fransen werd steeds meer in de verf gezet, evenals het volkse en Vlaamse aspect van de strijd. Populaire anekdotes uit de orale traditie vonden hun neerslag in de historiografie en droegen op overtuigende wijze hun steentje bij tot het nationaliseren van de slag.

(17)_repro_van_ekta_inv._1018__MUS15In de achttiende eeuw was de Guldensporenslag geëvolueerd tot één van de bekendste historische gebeurtenissen, met een geladen betekenis en mythische proporties. Jan Breydel en Pieter de Coninck hadden zich ontpopt als de hoofdfiguren van de nationale Vlaamse geschiedenis. Tijdens de Franse annexatie en onder Willem I werd de Guldensporenslag gretig aangegrepen om de strijd tegen het imperialistische Frankrijk te legitimeren. Ook na de Belgische onafhankelijkheid werd de veldslag ‘gebruikt’ als waarschuwing tegen annexatiedreigingen van de machtige zuiderbuur. De nieuwe Belgische staat maakte in de negentiende eeuw dankbaar gebruik van de processen die in de voorgaande eeuwen waren ingezet en gebruikte en propageerde de Guldensporenslag als een nationaal symbool. De gebeurtenissen van 1302 werden vanuit een Belgisch-nationaal perspectief geïnterpreteerd en beschouwd als een strijd tégen de Franse overheersing en voor de onafhankelijkheid van het vaderland. Het verzet van de Vlaamse gemeentenaren tegen de koning van Frankrijk was een nationale zaak geweest, geen zaak van de Vlamingen alleen. De polygraaf Théodore Juste constateerde in zijn Histoire de Belgique (1840) dat 1302 een terechtwijzing was geweest van ‘la race trop orgueilleuse de Hugues Capet’. Ook de Geschiedenis van België die Hendrik Conscience in 1845 publiceerde, schuift deze visie op de gebeurtenissen naar voor en zijn roman De Leeuw van Vlaendren (1838) had eveneens de bedoeling om het Belgisch nationaal bewustzijn te versterken.

In de slotzin van zijn roman, richtte Conscience zich evenwel tot de Vlamingen: ‘Gij, Vlaming, die dit boek gelezen hebt, overweeg bij de roemrijke daden, welke het bevat, wat Vlaanderen eertijds was, wat het nu is, en nog meer wat het worden zal, indien gij de heilige voorbeelden uwer voorvaderen vergeet!’ De Leeuw van Vlaendren  vond dan ook vooral in flamingantische milieus weerklank en droeg bij tot de vorming van een Vlaams bewustzijn. Hendrik Conscience gaf de Guldensporenslag zijn naam en leverde een zeer grote bijdrage tot het mythologiseren van de slag. Hierdoor kon de Guldensporenslag uitgroeien tot één van de belangrijkste symbolen van de Vlaamse beweging. Het wapen van de graven van Vlaanderen werd haar symbool; het lied ‘De Vlaamse Leeuw’, in 1847 gecomponeerd door Hippoliet van Peene en Karel Miry, werd haar hymne. De canonisatie van 11 juli 1302 was ingezet.

In 1973 koos de Nederlandse Cultuurgemeenschap, de voorloper van de Vlaamse Raad, 11 juli als de dag waarop het feest van de Vlaamse Gemeenschap gevierd wordt. Deze beslissing betekende de officiële heiligverklaring van de Guldensporenslag die in 1302 op het Groeningeveld bij Kortrijk werd geleverd. Vlaanderen maakte hiermee een keuze voor een gebeurtenis uit een ver verleden, dit in tegenstelling tot de Waalse gemeenschap die met hun 27 september teruggrepen naar de Belgische revolutie van 1830. De keuze voor 11 juli als feestdag van de Vlaamse gemeenschap was dus historisch gezien niet correct, aangezien de Guldensporenslag in oorsprong niets met nationale identiteit te maken had. Het was evenwel een logische en voor de hand liggende keuze. Het proces van ‘invention of tradition’ was immers reeds in de veertiende eeuw ingezet. In de overwinningsroes werd het conflict genationaliseerd. Deze interpretatie ging deel uitmaken van het collectief geheugen van de middeleeuwse Vlaming en werd opgetekend door de geschiedschrijvers. Op die manier kreeg de mythe van het nationale conflict tussen Vlaanderen en Frankrijk het statuut van feit en in die hoedanigheid werd ze gebruikt om, door de eeuwen heen, het heden te legitimeren.

Op 1 april 2004 nam Véronique Lambert de functie van coördinator erfgoedbeleid bij de Stad Kortrijk op. Ze stond ook in voor de inhoudelijke voorbereiding van ‘Kortrijk 1302’, het nieuwe museum rond de Guldensporenslag in Kortrijk. Sinds 1 februari 2007 is ze conservator van het museum ‘Kortrijk 1302’.

Verslag
2009_lezing_lambert_001De spreekster begon met te stellen dat de Guldensporenslag eigenlijk één veldslag was in een Frans-Vlaams conflict. Dit conflict duurde van 1297 tot 1320. In deze veldslag stond een ridderleger van de koning van Frankrijk tegenover een leger van Vlaamse opstandelingen. Oorspronkelijk was het een conflict tussen de graaf van Vlaanderen, Gwijde van Dampierre, en de Franse koning Filips IV de Schone, die zich in een feodale verhouding t.o.v. elkaar bevonden, namelijk van leenman (Vlaamse graaf) tot leenheer (Franse koning). De leenman was verplicht om zijn leenheer bij te staan (raad geven en militaire bijstand leveren). De vorige Franse koningen bemoeiden zich weinig met Vlaanderen, maar Filips de Schone die zich omringde met geschoolde juristen, hanteerde een nieuwe ideologie die stelde dat “de koning de keizer is in zijn eigen rijk” en deze ideologie gold ook in de feodale gebieden. De koning ging zich dus meer bemoeien met de politiek in Vlaanderen. Dat Vlaanderen toen een rijk gebied was, speelde hierin zeker een belangrijke rol. Gwijde van Dampierre die vergroeid was met de oude feodale ideologie, beschouwde deze bemoeienissen als een verbreking van het feodale contract door de Franse 2009_lezing_lambert_002koning en zegde daarom zijn leencontract met Filips IV op.

Naast dit feodale conflict speelden ook nog andere tegenstellingen een rol, zoals deze tussen de graaf en de steden, tussen het patriciaat en de ambachten, tussen de Vlaamse steden onderling, tussen de steden en de kasselrijen, tussen de families Avesnes en Dampierre en tussen de Engelse en de Franse partijen in Vlaanderen. De steden schakelden de Franse koning in om hun gelijk te behalen tegenover de graaf. Binnen de steden stond het patriciaat (de elite die het stadsbestuur uitmaakte, grondbezit had en de rechtspraak hield) tegenover de ambachten (die in het stadsbestuur niets te zeggen hadden). De ambachten klaagden tegen het stadsbestuur o.a. over de belastingen en het kwam tot opstanden. De tegenstellingen tussen de steden onderling en tussen de steden en de kasselrijen hadden een economische achtergrond. De Avesnes waren aan de macht in Henegouwen en Holland. De oorsprong van hun conflict met de Dampierres was de erfenis van Margaretha van Constantinopel die tweemaal gehuwd was (met een Avesnes en met een Dampierre). De Avesnes wilden Vlaanderen binnenrijven en kozen de kant van de Franse koning. Bij de Engelsgezinden waren vooral de ambachten terug te vinden, wiens inkomsten afhankelijk waren van de Engelse wol. De stadsbesturen waren Fransgezind omdat zij daarin meer voordelen zagen.

De (feodale) oorlog brak uit in 1297. Hij werd even onderbroken door een wapenstilstand na een tussenkomst van de paus, maar werd hervat in 1300. Gwijde van Dampierre moest capituleren en hij werd samen met andere edelen naar Frankrijk gevoerd en daar gevangen gezet. Vlaanderen werd bezet en bestuurd door een Franse gouverneur, Jacques de Châtillon. In dit bezette Vlaanderen ontstonden twee partijen: de koningsgezinde leliaards en de graafgezinde klauwaards. Noch de leliaards, noch de klauwaards vormden een stabiele groep die onder één homogene sociale, economische, culturele, feodale of nationale noemer kunnen gevat worden. De klauwaards waren meestal arme ambachtslieden, met Pieter de Coninck als leider, die een charismatische persoon was, maar ook edelen als Gwijde van Namen (tweede zoon van Gwijde van Dampierre) en Willem van Gullik (kleinzoon van Gwijde van Dampierre) behoorden tot deze partij. De leliaards omvatten meestal de rijke leden van het stadsbestuur en hun familieleden. Er was wel voortdurend overloperij van het ene kamp naar het andere. Dit gebeurde naar gelang de omstandigheden, vanuit materiële en opportunistische overwegingen of uit schrik voor represailles. De partijkeuze werd dus bepaald door politieke, economische, materiële en sociale motieven, niet door een identiteitsbesef, een Vlaams bewustzijn of een nationaal gevoel. Later in de geschiedenis werden de tegenstellingen herleid tot deze tussen “de bezetter” en de “onderdrukten” en tussen Frans sprekenden en Vlaams sprekenden.

2009_lezing_lambert_003Op 18 mei 1302 vond een bloedige confrontatie plaats in Brugge (de Brugse Metten). Leliaards en Fransen werden er vermoord onder de strijdkreet “Schild en vriend”. Deze moordpartij was een aanslag op het Franse gezag en Filips de Schone wilde hiervoor maatregelen nemen. De klauwaards verzamelden een opstandelingenleger om zich hiertegen te verdedigen. Zij moesten het echter opnemen tegen een groot professioneel Frans ridderleger onder leiding van Robert d’Artois, dat optrok naar Kortrijk, waar een burcht was met een Frans garnizoen dat omringd werd door klauwaards. Het Franse leger wilde dit garnizoen ontzetten. Op 11 juli 1302 vond de Guldensporenslag plaats. Het Vlaamse opstandelingenleger bestond uit familieleden van Dampierre en hun bondgenoten, stadsmilities (vooral van Brugge; Gent deed niet mee) en boeren. Het Franse leger bestond uit leenmannen van de Franse koning, tegenstanders van Dampierre en huurlingen. Het aantal manschappen aan beide zijden was gelijk, maar een ridder te paard telde in die tijd voor 10 man te voet, waardoor het Franse leger dus een groot overwicht bezat. Dit werd echter door het opstandelingenleger gecompenseerd door een goede opstelling te kiezen (normaal werd een veldslag in een open terrein uitgevochten wat in het voordeel van de ridders te paard was). Het Vlaamse leger stelde zich op in een kromme linie vóór enkele beken. De slag begon met het afschieten van pijlen door de kruisboogschutters waarna de Franse ridders hun aanval inzetten. Zij moesten eerst met hun paarden over de beken springen, die goed gevuld waren met water en 1 tot 2 meter breed waren. De paarden konden daarover springen maar er was daarachter niet genoeg ruimte meer om opnieuw snelheid te halen en zo verloren de ruiters hun voordeel. In het midden van de linie, waar de Fransen wel meer ruimte hadden, stonden de Vlaamse reservetroepen opgesteld die de Fransen achteruit dreven. Deze tactiek werd bedacht door Jan van Renesse, een ridder uit Zeeuws-Vlaanderen. Véronique Lambert toonde heel het verloop van de veldslag via een aantal schema’s. De Vlamingen lapten ook alle riddercodes aan hun laars. Normaal werd een ridder nooit gedood maar gevangen genomen om later vrijgelaten te worden in ruil voor geld. In deze veldslag werden alle ridders echter gedood. Aan de zijkant stonden Ieperlingen opgesteld om een uitval van het Franse garnizoen uit de burcht tegen te houden. Op het einde van de slag waren alle Franse ridders vermoord, ook de aanvoerder Robert d’Artois en gouverneur Jacques de Châtillon. De rest van de Franse troepen was gevlucht en werd achtervolgd. De veldslag was begonnen om 12 uur ‘s middags en afgelopen om 15 uur.

11 juli 1302 was een warme dag. Desondanks droegen de ridders een zware uitrusting: een maliënkolder met daaronder dikke wollen kleren en een leren hemd. Daarbovenop werd een wapenkleed met hun wapenschild erop gedragen en epauletten op de schouder. Op hun hoofd werd eerst een kleine helm gezet en daarbovenop een grote helm. Ook afbeeldingen van de zwaarden werden tijdens de lezing getoond. De meeste Vlamingen droegen een maliënkap met een kleine helm erover en een maliënhemd ofwel dikke wollen kleren. Een belangrijk Vlaams wapen was de goedendag: een gepinde staf om mee te slaan of te steken. Dit wapen mag niet verward worden met een morgenster (een bol met pinnen aan een ketting).

Het Vlaamse leger stond al om 6 uur ’s morgens opgesteld, terwijl de veldslag pas om 12 uur begon. Om hun extra moed te geven namen hun leiders enkele maatregelen. Zo streden alle ridders in het opstandelingenleger ook te voet en werden Vlaamse leiders zoals Pieter de Coninck en andere ambachtslieden vlak voor de veldslag tot ridder geslagen. De Vlamingen stonden afwisselend opgesteld: één met een goedendag en één ernaast met een lange lans of spies.

De Guldensporenslag had ook een sociale betekenis: de gewone mens (ambachtsman) had een elitair leger verslagen en later werd het een symbool voor de Vlaamse identiteit. Eigenlijk leek het een onmogelijke gebeurtenis die niemand had verwacht. Het was de eerste maal in de geschiedenis sinds de Romeinen dat een voetvolk een ridderleger versloeg. De Franse trots was gekrenkt en Frankrijk was belachelijk gemaakt in heel Europa. Paus Bonifacius VIII (die een tegenstander was van Filips de Schone en dus de Vlaamse zaak genegen was) werd middenin de nacht door een bode op de hoogte gebracht van de Franse nederlaag. Er werden een liedje en gedichten over de slag gemaakt en al snel volgden er aangedikte verhalen. De Vlamingen hielden het uiteindelijk tegen Frankrijk nog een jaar vol, mede door de faam van het Vlaamse leger waardoor de Fransen de strijd niet direct meer durfden aan te gaan.

2009_lezing_lambert_0052009_lezing_lambert_004

Enkele mythische aspecten ontstonden door een mondelinge traditie die later zijn neerslag vond in de geschiedschrijving. Een eerste mythe was de rol van Jan Breydel, die in tegenstelling tot Pieter de Coninck geen grote leider was en ook niet tot ridder werd geslagen. Pieter de Coninck mag de grote held genoemd worden: hij slaagde erin om de ambachten te verenigen en de rechten van de ambachtslieden te verbeteren. Hij werd in de roman van Hendrik Conscience onrecht aangedaan omdat hij daar in de schaduw van Jan Breydel werd gezet. Jan Breydel komt enkel voor in de rekeningen van die tijd als leverancier van vlees en andere voorraden aan het Vlaamse leger, waarvoor hij trouwens gewoon betaald werd. Hij was wel een sympathisant van de opstandelingen, maar het is zelfs niet eens zeker dat hij in Kortrijk aanwezig was bij de Guldensporenslag. Pas na de slag komt hij in het nieuws als een agressieve persoon die betrokken was in vechtpartijen. Hij zou wel aan de bel getrokken hebben opdat de Vlamingen zich niet zouden laten onderdrukken door de Vlaamse graaf, die in 1305 terug in Vlaanderen was, en hij zou het voortouw genomen hebben in een protest tegen de graaf. In latere kronieken werden deze feiten versmolten met mondeling overgeleverde verhalen waardoor het huidige beeld over Jan Breydel is ontstaan.

Een tweede mythe was de rol van de grachten op het slagveld. Deze werden zeker niet gegraven door de Vlamingen en de Fransen kenden het bestaan van de natuurlijke waterlopen in de streek. Robert d’Artois was trouwens opgegroeid in Kortrijk (in de burcht bij zijn tante). Zelfs nu nog staat in Franse geschiedenisboeken te lezen dat de grachten breed waren en dat ze door de Vlamingen speciaal uitgegraven werden, wat dus absoluut niet waar was.

Een andere mythe ging over de gulden sporen. De benaming “Guldensporenslag” stamt uit de 18de eeuw. Voordien sprak men over de “slag bij Kortrijk”. De sporen van de Franse ridders waren niet van massief goud maar waren vergulde sporen. Het verhaal ging dat na de slag alle sporen van de Franse ridders werden verzameld en opgehangen in de O.L.V. kerk van Kortrijk, maar later weer werden weggehaald door de Fransen. Nu nog zijn er op het plafond achter het koor in de kerk, geschilderde Vlaamse leeuwtjes en riddersporen te zien. Het blijft de vraag of dit verhaal klopt. Het werd pas veel later na de Guldensporenslag opgeschreven.

Een laatste mythe was dat de Franse koningin Johanna van Navarra de baas was. Zij werd trouwens in “De Leeuw van Vlaanderen” (1838) van Hendrik Conscience opgevoerd als een feeks die een grote haat koesterde tegen de Vlamingen. De reden van deze mythe is dat haar karakter in de latere kronieken een eigen leven is gaan leiden. Maar in werkelijkheid stond Filips de Schone wel degelijk boven haar en nam hij eigenhandig de beslissingen.

De “Leeuw van Vlaanderen” in de roman van Conscience was Robrecht van Bethune, de zoon van Gwijde van Dampierre. Al tijdens zijn leven kreeg hij deze bijnaam al toebedeeld. Maar zijn rol die in dit boek beschreven staat klopt niet, want hij zat op het moment van de slag gevangen in Frankrijk en kwam pas in 1305 (als graaf) terug naar Vlaanderen. Hij heeft dus geen enkele bijdrage aan de Guldensporenslag geleverd. Zijn rol werd door Conscience zo uitgewerkt omwille van een romantechnische reden: zorgen voor spanning in het verhaal. Het had daarnaast ook te maken met het feit dat België toen pas onafhankelijk was en een nieuwe staat een identiteit moest krijgen. Robrecht van Bethune werd opgevoerd als een allusie op het feit dat de (Belgische) vorst zijn leidende rol moest spelen op cruciale momenten van zijn land of volk. Een eerste versie van “De Leeuw van Vlaanderen” die heel anders was dan de huidig bekende, geraakte trouwens niet door de censuur (door het koningshuis en de kerk) en mocht niet verschijnen. De nieuwe Belgische staat gebruikte en propageerde dus in de negentiende eeuw de Guldensporenslag als een nationaal symbool.

Het slot van de lezing ging over het opnemen van de Guldensporenslag als Feest van de Vlaamse Gemeenschap. De eerste geschiedschrijvers hadden nog goed door dat het om een feodale oorlog ging, gekoppeld aan sociale, economische en dynastieke conflicten. Maar al in 1325 schreef een Vlaamse monnik de populaire versie van de Guldensporenslag neer: “op 11 juli 1302 behaalde een handvol Vlamingen de overwinning op een reusachtig Frans ridderleger en ze hadden op de Groeningekouter gestreden voor het behoud van de wetten, rechten en vrijheden van hun vaderland”. Dit laatste werd meer en meer aangedikt in de daarop volgende kronieken. Na de Belgische onafhankelijkheid werd gezocht naar glorierijke “Belgische” momenten in de geschiedenis. De Guldensporenslag werd “gebruikt” als waarschuwing tegen de toenmalige annexatiedreigingen van Frankrijk. 11 juli 1302 was dus eerst een Belgisch symbool (via de literatuur, (Conscience), de schilderkunst (Nicaise De Keyzer)) en in het geschiedenisonderricht. Pas nadien werd het een symbool van de Vlaamse Beweging. De “Leeuw van Vlaanderen” vond wel al van in het begin weerklank in flamingantische milieus en droeg bij tot de vorming van een Vlaams bewustzijn. Hendrik Conscience gaf de Guldensporenslag zijn naam en leverde een zeer grote bijdrage tot het mythologiseren van de slag. Hierdoor kon de Guldensporenslag uitgroeien tot één van de belangrijkste symbolen van de Vlaamse beweging. Het wapen van de graven van Vlaanderen werd haar symbool; het lied ‘De Vlaamse Leeuw’, in 1847 gecomponeerd door Hippoliet van Peene en Karel Miry, werd haar hymne. De canonisatie van 11 juli 1302 was ingezet. In 1973 koos de Nederlandse Cultuurgemeenschap, de voorloper van de Vlaamse Raad, 11 juli dan als de dag waarop het Feest van de Vlaamse Gemeenschap gevierd ging worden.

Tekst: Marc De Meester
Foto’s: Etienne Decaluwé

Praktisch

Toegang: 3,50 euro, drankje na de lezing en bezoek aan het museum inbegrepen. Gratis voor leden van de Geschied- en Heemkundige Kring Sint-Guthago.

Sincfala, Museum van de Zwinstreek, Pannenstraat 140, 8300 Knokke-Heist.
Parkeergelegenheid: op de speelplaats van de gemeentelijke basisschool Het Anker (bereikbaar via de Felix Timmermansstraat).