1820-1840 in de Sint-Guthagostreek - Hoeke (1ste deel)

door Dr. Jos. De Smet

In het begin van de vorige eeuw beleefde ons Land een tamelijk beroerde geschiedenis. Nadat het tot mei 1814 deel had uitgemaakt van het Franse Keizerrijk, werd het na de terugtocht van Napoleons legers, door de Geallieerde Machten voorlopig bestuurd. Deze stelden te Brussel een gouverneur-generaal voor België aan.
In 1815 werd België gevoegd bij Noord-Nederland en vormde, onder koning Willem I, het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

De Belgische Omwenteling van september 1830 bracht een einde aan deze vereniging. Hieruit volgde de oorlogstoestand tussen Noord en Zuid, die duurde tot aan het Verdrag van Londen van 19 april 1839, die de scheiding tussen beide landen bevestigde.

Ondertussen was België een onafhankelijk Koninkrijk geworden, onder Leopold I, die op 21 juli 1851 de grondwettelijke eed aflegde.
Voor twee gemeenten uit onze streek, namelijk voor Hoeke en Heist, bezitten we enkele belangrijke bescheiden van het gemeentebestuur, die ons toelaten een beeld te schetsen van het verleden van deze gemeenten van 1820 tot 1840.

( Deze betrekkelijk lange studie zal in drie  opeenvolgende nummers van  “Rond de Poldertorens”  verschijnen.)

Hoeke van 1820 tot 1840

1. Geschiedkundige Inleiding.

Oostkerke is de oudste parochie uit de St-Guthagostreek. Zij wordt in 1110 vermeld als moederparochie van Wulpen (een nu verdwenen eiland recht-over Kadzand), van Lapscheure, van Moerkerke en van Westkapelle. Uit het latere grondgebied van de moederparochie Oostkerke, ontstonden nog de parochies Damme, Sint-Katerine (nu ingelijfd bij Damme), Hoeke en Sint-Anna-ter-Muiden.

Een akte van 1449 spreekt van de oorsprong van de kerkelijke parochie Hoeke. Jaarlijks moest de kerk van Hoeke een rente van zeven pond parisis betalen aan de pastoor van Oostkerke   “om dat de kerke van Oostkerke was heer dat de kerke vanden Houke ghemaect was, ende alle de ghone die nu wonen jnde prochie vanden Houke, die woenden jn die tijt jnde prochie van Oostkerke, ende waren prochiaenen vander kerken van Oostkerke voorseyt”.   Daarom moest deze som als schadeloosstelling betaald worden aan de pastoor van Oostkerke, voor het verlies van parochianen (1).

De naam Hoeke wijst op het feit dat deze gemeente vroeger een “hoek” of wijk was van Oostkerke.

In 1252-1253 wilde de Duitse Hanze hier langs het Zwin een onafhankelijke Duitse stad stichten, die niet zou afhangen van de gravin van Vlaanderen. De onderhandelingen mislukten, en daar de lieden van de Duitse Hanze hun kantoor (dat later naar Brugge zou overgebracht worden) te Hoeke gesticht hadden, en er aldaar Duitse kooplieden gevestigd waren, kreeg dit plaatsje tussen 1255 en 1274 vrije rechten als Vlaamse en niet als Duitse stad (2).

Volgens het tolreglement van het Zwin uit het jaar 1252 had Hoeke als monopolium de verkoop van allerhande fruit uit het binnenland. Daar ook lagen de scheepswerven van het Zwin.

Als stad is Hoeke nooit zeer belangrijk geweest. In 1309, in de algemene belastingen of transport van het graafschap Vlaanderen, betaalde Hoeke slechts de 4/5 van de som, die door Monnikerede werd betaald (dit plaatsje telde toen een 450 inwoners), en 1/13 van de som betaald door Damme.

Nadat de Brugse internationale markt in de loop van de XVIe eeuw volledig was te niet gegaan, verviel ook Hoeke. Het stadje had veel te lijden ten tijde van de Godsdienstberoerten van het Protestantisme. In 1574 waren er nog zestien huisgezinnen. Het werd nog erger in de jaren 1578-1584, wanneer geheel het noorden van Brugge in de handen van de Calvinisten was. Hoeke kreeg nooit een protestantse dominee, omdat de overblijvende inwoners te weinig in getal waren. De stad kon ook niet meer voorzien in de kosten van bestuur en gerecht. En op 18 mei 1594 verenigde Koning Filips II de drie steden Damme, Hoeke en Monnikerede, onder één enkel magistraat, die te Damme zetelde. Op de zes schepenen van de nieuwe magistraat, was er altijd een uit Hoeke en een uit Monnikerede (3).

2. De Gemeente Hoeke.

In 1795 werd Hoeke tot gemeente verheven, als lid van het kanton Westkapelle. In 1797 telde de gemeente 48 inwoners van boven de 12 jaar en 71 van min dan 12 jaar, samen 119 zielen.

In 1800, na de afschaffing van de kantons als bestuurlijke inrichting, kreeg Hoeke een eigen gemeenteraad. De oppervlakte van de gemeente bedroeg 482 Ha.; daarvan waren in 1833: 208 Ha. 47 a. 56 ca. landbouwgrond, 172 Ha. 25 a, 9 ca. weide, en 53 a. 66 ca. Bos.  Het overige van de oppervlakte van de gemeente was ingenomen door wegen en waterlopen.

De oudst bewaarde archieven van de gemeenteraad van Hoeke zijn de notulen van de gemeenteraad van 1826 tot 1844 (4), alsook twee registers van uitgaande briefwisseling over de jaren 1819 tot 1840 (5).

Daaruit heb ik trachten na te gaan wat er te Hoeke is voorgevallen gedurende de beroerde jaren 1820-1840.
De gemeenteraad van Hoeke telde zeven leden. Op 29 maart 1850 bestond de raad uit: Franciscus De Smidt, burgemeester, Johan De Graer en Jacob Beyne, assessoren, en Franciscus Pintelon, Philippus Proot, Johannes Tilleman en J. B. De Vildere leden, met als secretaris Pieter Depré.

Op 14 oktober 1836, na de verkiezingen ingevolge de nieuwe Belgische gemeentewet van 30 maart 1836, was het schepencollege benoemd door Koninklijk Besluit van 3 oktober 1836 : de burgemeester Jacob Beyne, en de schepenen Jan Tilleman en Pieter Quaetaert. De andere leden van de raad waren Jan Bapt. De Vildere, die 17 stemmen behaald had, Jacob De Smidt 15 stemmen, Hendrik Dubaert 14 stemmen en Josephus Van Holm 12 stemmen op 22 kiezers.

De bevolking steeg van 141 inwoners in 1827 naar 153 in 1839 en 166 in 1843. De gemeente telde toen 28, meest kleine huizen. Geen enkel huis had meer dan één verdieping. In 1832 waren er twee hofsteden met zes paarden en vier met twee paarden. De neringdoeners, die patenterecht betaalden, waren ten getale van zes: twee winkeliers, twee herbergiers, een smid en een bakker.

Op 17 september 1808 was de pastoor van Hoeke, Karel De Ketele uit Kruishoutem, benoemd tot pastoor te Wenduine. Ten gevolge van het groot tekort aan priesters, werd de parochie Hoeke gevoegd bij deze van Westkapelle, Ieder zondag kwam de onderpastoor van Westkapelle te Hoeke een mis celebreren. Voor de dopen, de huwelijken en de begrafenissen moesten de inwoners uit Hoeke naar de kerk van Westkapelle gaan.

Reeds in 1822 had de gemeenteraad vruchteloos aangedrongen om opnieuw een eigen pastoor te bekomen. Het zou echter duren tot 1842 vooraleer aan de parochie opnieuw een zieleherder toegewezen werd.

Men begrijpt heel goed de moeilijkheden die de verplichting medebracht voor bepaalde kerkelijke aangelegenheden naar de kerk van Westkapelle te gaan, wanneer men weet dat Hoeke geen enkele steenweg bezat. Al de wegen waren aardewegen, die in de winter en bij regenweer moeilijk te gebruiken waren. Tot 1840 gaf de gemeente geen cent uit voor openbare werken. Zelfs de vaart van Brugge op Sluis, die in 1810-1811 gegraven was door Spaanse soldaten, door de legers van Napoleon krijgsgevangen genomen in hun land, was sedert 1830 niet meer bevaarbaar. Te Oostkerke en te Hoeke waren dammen in de vaart gelegd, om de overstroming, die door de Noordnederlanders veroorzaakt was, tegen te houden. De brug van Oostkerke was verdwenen en te Hoeke lag er vroeger geen brug.

De gemeente bezat zelfs geen school. De kinderen die wilden leren, trokken naar Lapscheure, Oostkerke of Westkapelle ter school. Eerst in 1831 kwam er een klein particulier schooltje, waar, onder meer, handwerk aangeleerd werd aan de arme kinderen.

3. De Financiën van Gemeente en Armbestuur.

Daar de gemeente geen openbare werken uitvoerde, noch een school of een pastoor moest bekostigen, waren de uitgaven buitengewoon laag, en sloten de rekeningen altijd met een batig saldo.

Het personeel van het gemeentebestuur bestond uit een secretaris, die in 1819: 94 flor. 50 per jaar of 119 Fr. 87 verdiende; en een veldwachter die in 1819: 47 flor, of 99 Fr. 41 verdiende; terwijl de gemeenteontvanger, die nog ontvanger was voor andere gemeenten, het moest stellen met 8 flor. 76 of 18 Fr 52. (In 1832 was één frank 47 1/2 cent waard en één gulden 2 Fr 115).

In 1827 bedroegen de ontvangsten van het gemeentebestuur 558 flor 56 of 1205 Fr 52; de uitgaven beliepen tot 374 flor 27 of 814 Fr 81; het batig slot bedroeg 184 flor 29 of 389 Fr 77.

In 1833 bedroegen de inkomsten 893 Fr 79, de uitgaven 794 Fr 95, en het batig slot 98 Fr 84.

Ik heb twee gemeenterekeningen doorlopen, Deze over het jaar 1830 be- droeg in ontvangsten 515 flor 72, onderverdeeld als volgt: Overschot van het jaar 1929: 92 flor 29; opcenten van de grondbelasting: 134 flor 12; opcenten van de personele belasting: 7 flor 46; abonnementsrol (vrijwillige plaatselijke belasting op het verbruik van drank): 75 flor; belasting op de honden: 9 flor 59.

De uitgaven bedroegen 459 flor 16, zodat een batig slot bleef van 61 flor 31. Onder de uitgaven vinden we de jaarwedde van de burgemeester F, De Smidt, van 1 januari tot 11 november 1830: 21 flor 69; deze van zijn opvolger Jacob Beyne van 12 november tot 31 december: 3 flor 31; de jaarwedde van assessor Jacob Beyne van 1 januari tot 11 november: 5 flor 37; de wedde van assessor F. De Smidt van 12 november tot 31 december: 0,88 flor; de jaarwedde van assessor Jan De Graer: 6 flor 25; alsook nog de wedden van de secretaris 94 flor 50, van de gemeenteontvanger 7 flor 88 en van de veldwachter 35 flor.

Voor de bureelkosten worden 30 flor. gerekend, voor de huur van het gemeentehuis 10 flor. De toelage aan het armbestuur bedroeg 83 flor 09, en voor het verblijf van een vrouw in het Bedelaarswerkhuis te Brugge werd 54 flor 75 uitgegeven.

Nemen wij nu de rekening over 1845. De ontvangsten beliepen tot 1446 Fr 25, onderverdeeld als volgt: overschot van 1844: 185 Fr 51, toelage van het armbestuur voor het onderwijs van de arme kinderen: 20 Fr; opcentiemen op de grondbelasting 214 Fr 10 en van de belasting op het personeel: 21 Fr; abonnementsrol: 700 Fr; intrest van een uitgeleend kapitaal van 7418 Fr 68: 296 Fr 64.

De uitgaven bedroegen 1205 Fr 96. Daaronder vinden wij de jaarwedden van de burgemeester: 53 Fr 50; voor ieder van de twee schepenen: 13 Fr 25; voor de secretaris: 200 Fr; voor de ontvanger: 15 Fr; voor de klokkenluider: 25 Fr; voor de veldwachter 74 Fr 08; voor de onderwijzer 50 Fr; voor de pastoor: 300 Fr. De bureelkosten bedroegen 63 Fr 50, de huur van het gemeentehuis 21 Fr, en de toelage aan de kerkfabriek 100 Fr. Er was een batig slot van 240 Fr 29.

Ook de rekeningen van het armbestuur bedragen kleine sommen en sluiten met een bonus. In 1827 was het batig slot 58 flor 42 (123 Fr 56) bij een ontvangst van 216 flor 31 (457 Fr 50) en een uitgave van 157 flor 89 (333 Fr 94).

Ik heb de rekening van het armbestuur nagegaan voor het jaar 1838, wanneer volgens het jaarverslag, vijftien armen waren op de gemeente tegen twaalf in 1836. De ontvangsten bedroegen 434 Fr 40 en de uitgaven 286 Fr 38, wat een batig slot naliet van 158 Fr 12.

Onder de uitgaven vinden we als wedden: 22 Fr voor de ontvanger en 11 Fr voor de secretaris. Zes Frank voor bureelbehoeften. Verder de uitgaven voor de armen zelf: leveren van een doodkist en kosten van begrafenis 15 Fr; onderhoud bij particulieren van een vrouw met kinderen 75 Fr 38; voor het onderhoud van drie arme vrouwen 53 Fr 62; betaling aan de heelmeester 22 Fr 25; aankoop van klederen 19 Fr 31; leveringen aan de armen: voor brandhout 35 Fr, en voor brood door de twee bakkers Pieter Ghyselen en Jan Van Holme 60 Fr; met daarbij nog 20 Fr voor kleine uitgaven.
 
De rijksbelastingen die betaald werden door de inwoners van Hoeke en door degenen die daar grondeigendommen bezaten, waren niet zeer hoog. In 1837 bracht de grondbelasting aldaar 3597 Fr op, de personele belasting 257 Fr 87, en de patent, te betalen door de neringdoeners, 23 Fr 61.

Voor ieder belasting werd toen een globale som aan de gemeente opgelegd, die verdeeld werd over de inwoners. Dit geschiedde voor de grondbelasting door een college van vijf zetters, ieder jaar door de gemeenteraad aangesteld; dezen werden bijgestaan door twee schatters die ook ieder jaar door de raad werden benoemd. Voor het verdelen van de personele belasting benoemde de gemeenteraad ieder jaar een commissie van drie personen.

4. Hoeke onder het Verenigd Koninkrijk (1820-1830)

Er is zeer weinig te vinden over het administratief leven te Hoeke van 1820 tot aan de Belgische Omwenteling van 1830.

a/  Toezicht op de Geestelijkheid

Volgens de briefwisseling zien we de algemene strekking van het Nederlands Bestuur. Tot 1827 leefde het hoofdbestuur op gespannen voet met de geestelijkheid.
 
Om de drie maanden moesten de veranderingen in de toestand van de plaatselijke geestelijkheid opgegeven worden. Het ministerie hield een streng toezicht op het vrij onderwijs en op de seminaries voor jonge priesters. In september 1825 werd er gevraagd of er geen openbare of geheime gesprekken op de gemeente gevoerd werden over het onderwijs op de colleges en seminaries. Om reden van de plagerijen tegen het katholiek onderwijs, zonden sommige ouders hun zonen naar colleges in Frankrijk. Dit werd verboden, en vanaf april 1829 werd om de zes maanden gevraagd of er geen jongelingen in het buitenland studeerden of, na afloop van hun studies naar huis waren teruggekeerd. Te Hoeke was er geen enkele student, noch in het binnenland noch in het buitenland.

Reeds in december 1824 was er gevraagd of er op de gemeente huiskapellen of private bidplaatsen bestonden, en in maart 1825 vroeg men of er te Hoeke geestelijke of wereldlijke verenigingen bestonden. Er bestond echter niets. Hetzelfde jaar werd in geheel de katholieke wereld geld opgehaald voor een niet nader bepaalde kerk in Rome. Ook daarover werden inlichtingen ingewonnen te Hoeke, waar geen inzamelingen waren gebeurd. In november 1827 wilde men uit Brussel weten of er op de gemeente inwoners waren die een andere godsdienst beleden dan de Rooms-Katholieke,  maar allen waren katholiek,

b/  De Gezondheidsdienst

Ook op de geneeskunde hield het Nederlands bestuur een wakend oog. Ieder jaar moest aangegeven worden wie op de gemeente een van de takken van de geneeskunde mocht uitoefenen, en of er mannelijke of vrouwelijke kandidaten waren voor de Heelkundige School te Brugge, waar de mannen opgeleid werden tot heelmeester of apotheker en de vrouwen tot vroedvrouw. Maar te Hoeke oefende niemand een tak van de genees-kunde uit en was er nooit een kandidaat voor de Heelkundige School.

Om de drie maanden werd gevraagd hoeveel personen de koepokinenting hadden ontvangen. Slechts één enkel maal, op 2 oktober 1824, werd gesignaleerd dat twaalf personen de pokken gezet waren. Heelmeester Duvivier uit Brugge was daarmede belast door de districtscommissaris. Daar hij echter nooit meer afkwam, waarschijnlijk ten gevolge van de moeilijke verbindingen langs de aardewegen, werd hij op 9 juli 1830 door de gemeenteraad ontslagen en vervangen door heelmeester Benedictus Flamen uit Damme.

c/  De Maten en gewichten

Sedert april 1821 mochten alleen nog onze huidige maten en gewichten van het decimaal stelsel gebruikt worden, die echter in 1816-17 nieuwe Nederlandse benamingen hadden ontvangen. B.v. een meter werd een elle, een hectare een bunder, een liter een kop of kan, en een kilogram een pond. Tweemaal in het jaar moest de gemeente een verslag opsturen over het gebruik van maten en gewichten, en ieder jaar kwam een officiële ijker al de maten en gewichten van de gemeente nazien en ijken.

Op veel hofsteden werd nog de oude “unster of balance romaine” (einsel) gebruikt. Dit werd uitdrukkelijk verboden in november 1825.

d/  De Landbouw

De bezorgdheid van het bestuur ging nog naar de landbouw. Nu en dan werd er gevraagd of er op de gemeente darink- of turfputten uitgebaat werden, en of er braakliggende gronden voorhanden waren, waarop iedermaal een negatief antwoord volgde.

De regering die ook de algemene ontrupsing deed doorvoeren, had het voorzien op de “tronken en eiken kaphagen”, die moesten verdwijnen ingevolge art.27 van het reglement van 10 juli 1818, omdat de rupsen een voorliefde hadden voor deze gewassen. Op 20 september 1824 werd een verslag ingezonden om hun verdwijning te Hoeke te bevestigen.

Voor het geval van doorbraak van land- of zeedijken waren zeer afdoende maatregelen voorzien. Ieder jaar werd afgekondigd dat ingeval van inbraak van land- of zeewater, de alarmklok zou geluid worden, en dat alle mannelijke inwoners vanaf 18 jaar, zouden moeten bijeenkomen op het kerkhof, voorzien van een spade, om zich naar de plaats van de ramp te begeven.

Het waren niet alleen de dijkbreuken die een gevaar opleverden voor de landbouw. Ook langdurige regens richtten soms veel schade aan, door het feit dat de regenwaters niet snel genoeg konden afvloeien. Dit gebeurde in 1829, waar de regens 1/20 van de graanoogst vernielden, evenals de ganse aardappeloogst en bijna geheel de oogst van de gerst. De weiden en de hooivelden stonden onder water. Tot midden november bleven de regens aanhouden zodat er niet kon gezaaid worden. Er was ook grote schade veroorzaakt aan de wortelen (karoten), de klaver, de vitsen en de bonen. Het gevolg was dat de landbouwers geen voeder hadden voor hun dieren en het vee aan kleine prijzen moest verkocht worden.

e/  De Brandweer

De regering wilde een einde stellen aan de grote schade die ieder jaar in geheel het land veroorzaakt werd door branden. Daarom raadde ze de aankoop aan van modern brandweermateriaal, namelijk van brandspuiten. Indien de gemeenten niet over voldoende geldmiddelen beschikten, moesten ze samen met een of meer andere gemeenten een brandspuit aankopen. Daartoe werd zelfs voorgesteld Hoeke bij Oostkerke in te lijven om één enkele gemeente te vormen (6). Dit werd beslist van de hand gewezen. Hoeke beweerde wel over de nodige geldmiddelen te beschikken om een brandspuit aan te kopen, maar de slechte toestand van de wegen, de weinig talrijke huizen, die daarenboven ver uiteen lagen, en de droge zomers zonder voldoende water, maakten de aankoop van een brandspuit nutteloos.

Er werd van hogerhand ook vruchteloos aangedrongen dat de kerkfabriek en het armbestuur hun eigendommen tegen brand zouden verzekeren.

f/  Het Brood

De prijs, het gewicht en de hoedanigheid van het dagelijks brood waren een gedurige bekommernis van de openbare besturen. Zo werd regelmatig de kostprijs ervan bepaald door de broodzetting. B.v. deze van mei 1826 stelde vast hoeveel kilogram (pond) brood uit een hectoliter (mudde) tarwe van 80 kgr. kon gebakken worden, nl 110 kgr. brood. De prijs werd berekend voor het malen, de brandstof, de gist en het zout, samen 1 flor, 11. Na aftrek van de verkoop van de houtkolen voor één gulden, bleef er slechts 11 cent aan kosten over. De zuivere winst van de bakker voor het verwerken van een hectoliter tarwe was 1 Flor 25. Een hectoliter rogge woog 72 kgr. en gaf 94 kgr brood. Hier was de toegestane winst 1 f1. 77 cent. De bewerking was ook lastiger.

In januari 1829 werd aan de bakkers verboden giftige of andere gevaarlijke stoffen te gebruiken om het brood een beter uitzicht te geven, namelijk blauwe aluin, vitriool of kopersulfaat, En in april van hetzelfde jaar worden de broodsoorten vastgesteld die te Hoeke gebakken worden: rogge ongebuild, tarwe fijn gebuild (wit brood), ongebuilde tarwe en masteluin (half tarwe half rogge).

g/  De Politie

Te Hoeke werd de politie waargenomen door de veldwachter en door patrouilles van de maréchaussee.
Hoeke was een voorbeeldige gemeente waar geen misdaden voorvielen.

In de winter werden gewoonlijk patrouilles van inwoners ingericht gedurende de nachturen. In het najaar van 1825 werd er veel gestolen in ons land, daarom werden de nachtelijke gewapende patrouilles vroeger ingericht en moest iedereen waakzaam blijven tegen de dieven. Al de vreemdelingen die op de gemeente verschenen moesten aan de politie gesignaleerd worden.

In 1828 werd in de zuidelijke provinciën van het Verenigd Koninkrijk, de schutterij ingericht: een soort burgermilitie die zelf haar uniform en uitrusting betaalde, zoals dit het geval was met de Belgische burgerwacht, die in 1830 werd opgericht en bleef bestaan tot de eerste maanden van de oorlog van 1914. Ook op de buiten werd de schutterij opgericht, maar was niet actief. De gegradeerden ervan werden gekozen door hun medewachters. Op de buiten kreeg de schutterij geen uniform noch wapens.
 
Te Hoeke werd zij ingericht in juli 1830 en zou belast worden met de nachtelijke patrouilles in de wintermaanden.
 
Slechts één buitengewoon voorval wordt in deze jaren vermeld. Een vrouw die lange jaren ziek was, weigerde medische hulp.

Eindelijk kon haar man bekomen dat ze in consultatie ging naar Sijsele, bij een priester Van Pot, waarvan ik nergens het spoor kon ontdekken. Deze had haar water onderzocht en zekere geneesmiddelen voorgeschreven, die enkele dagen later de dood van de vrouw veroorzaakten.

h/  De Verkiezingen

Met de verkiezingen onder het Nederlands Bewind was het slecht gesteld te Hoeke. Slechts deze personen die een hoge som aan directe belastingen betaalden, hadden kiesrecht. In 1825 woonde op de gemeente niemand die 150 gulden aan directe belastingen betaalde. Er was dus geen enkele kiezer, buiten voor de gemeenteraad. Later werd de kiescijns verlaagd, zodat in 1829 twee inwoners kiesrecht hadden in de eerste graad. Deze moesten de kiezers van de tweede graad aanduidden, die dan de leden van de Kamers en van de Provincieraad aanduidden. Deze twee kiezers waren de burgemeester Fransciscus De Smidt en de assessor Jacob Beyne. Zij waren echter niet verkiesbaar, omdat daarvoor een nog veel hogere som aan belastingen moest betaald worden. En zo zien we bij de provinciale verkiezing te Hoeke op 8 mei 1829, dat het kiesbureel is samengesteld uit vier personen: het college van burgemeester en schepenen met de gemeentesecretaris.

Ieder van de twee kiezers mocht twaalf kiezers van de tweede graad aanduiden. Over de twee te Hoeke binnengekomen stembiljetten werd een omstandig verslag opgestuurd naar de districtscommissaris te Brugge.

i/  Verscheidenheden

Ieder jaar werd gesignaleerd dat de gemeente geen openbare werken zal uitvoeren. Het enige groot werk dat in april 1830 wordt vermeld, is de herstelling van de brug over de oude Sluisevaart van 1555, bij het Fort Sint-Donaas; een werk dat ten laste viel van de watering van Groot Reigaartsvliet.

In juni 1827 werd aan de gemeente gevraagd of ze oude archieven bezat. Het antwoord luidde ontkennend, daar al de oude archieven sedert 1594 naar Damme waren overgebracht, wanneer de drie steden Damme, Hoeke en Monnikerede tot één enkel magistraat waren samengebracht.

j/  De Collecten

In die tijd werden talrijke collecten gehouden, vooral ten voordele van de slachtoffers van rampen. Ieder jaar werd ook een collecte gehouden voor de gewapende dienst. De opbrengst ervan moest dienen om de slachtoffers van de slag bij Waterloo, waar Napoleon I op 18 juni 1815 definitief verslagen werd, te onderhouden. Vroeger, en nog in de mobilisatie van 1870-71, ontvingen de familieleden van de gemobiliseerden geen de minste tegemoetkoming vanwege de Staat, evenmin als de invaliden van het leger. Al deze mensen vielen ten laste van het armbestuur. De opbrengst van de collecte voor de gewapende dienst bedroeg te Hoeke, in de verschillende jaren vanaf 1824 tot 1830: 2 flor 30; 44 cent; 25 cent; 50 cent; 61 cent; 1 gulden; en 1 flor 05.

De andere collecten, die nog te Hoeke gehouden werden, waren in september 1824, voor de slachtoffers van de brand te Waalwijk (2 flor 18); in maart 1825 voor de slachtoffers van de watersnood van begin februari (19 flor vanwege de gemeente en 1 flor 17 1/2 vanwege de particulieren); en in september 1826 voor de slachtoffers van het kruitmagazijn te Oostende.

5.  Hoeke onder het Koninkrijk België (1830-1840)

De Belgische Omwenteling van september 1830 en de daarop volgende oorlog met Noord-Nederland, die duurde tot aan het Verdrag van Londen van 19 april 1839, bracht veel moeilijkheden mede voor Hoeke, dat zo dicht bij de nieuwe Nederlands-Belgische grens lag.

a/  De Oorlog met Nederland.

In september-oktober 1830 waren de Belgische soldaten uit de Nederlandse regimenten naar huis gezonden of heel eenvoudig weggelopen, soms met hun wapens, paarden en uitrusting. Het nieuw Belgisch leger had de volgende weken reeds een groot tekort aan wapens en uitrustingen. Daarom werd in oktober tweemaal, ook aan Hoeke gevraagd of de soldaten aldaar geen wapens, paarden of uitrustingen hadden afgeleverd. Het antwoord luidde ontkennend. Begin november 1830 werden de soldaten van de 4e, 6e, 16e en 17e afdelingen, die naar huis gezonden of getrokken waren, opnieuw onder de wapens geroepen, nu voor het Belgisch leger. In oktober werd verteld dat bij ons graan opgekocht werd voor Noord-Nederland. Het gemeentebestuur van Hoeke mocht bevestigen dat dit niet op zijn gemeente was gebeurd.

Tegen de mogelijke dieven en plunderaars werden einde oktober in de gemeente gewapende patrouilles ingericht. Ook werden aldaar enkele “vaderlandslievende giften” opgehaald voor de slachtoffers van de septemberdagen te Brussel, maar op de gemeente waren geen weduwen van burgers  “die gesneuveld of gekwets zyn in het stryden voor de wederverkryging onzer volksonafhanelykheid”.  Dit werd op 15 december van uit Brussel gevraagd.

De Voorlopige Belgische Regering had geld nodig en schreef in juni 1831 een lening uit van twaalf miljoen gulden, ten laste van de openbare instellingen. Het aandeel van het armbestuur van Hoeke in deze lening bedroeg 23 flor. 81.

Van de Belgische inval in Zeeuws-Vlaanderen in oktober 1830 is geen spoor te vinden in de briefwisseling van de gemeenteraad.

Het duurde tot 28 maart 1831 vooraleer de burgerwacht te Hoeke 300 scherpe patronen ontving voor de jachtgeweren waarmede zij uitgerust was, en op 11 april werd door de plaatselijke burgerwacht een tamboer aangesteld, waarschijnlijk omdat de eerste ban van de burgerwacht (de jongste jaargangen) opgeroepen werd cm het leger te versterken. Gewoonlijk betaalden de burgerwachten zelf hun uniform (een shako en een blauwe kiel) alsook hun uitrusting. In september 1831  moest toch het uniform en de uitrusting betaald worden van twee arme leden van de eerste ban. Enkele dagen vroeger had men de 300 scherpe patronen teruggevraagd, maar de meeste waren verschoten bij de grensgevechten, waaraan dus ook leden van de burgerwacht van Hoeke hadden deelgenomen. De overgebleven patronen zou men behouden, omdat men zo dicht hij het vijandelijk gebied lag.

b/  De Militaire Prestaties.

Hoeke ontving van nu voort bijna zonder onderbreking inkwartiering van soldaten of burgerwachten, die de grens bezetten. De burgers moesten deze soldaten ook voeden, waarvoor zij een vergoeding zouden ontvangen.

Regelmatig werden paarden en wagens opgeëist voor het vervoer van de troepen die het “Camp Léopold” (op het Hazegras, waar nu Jan Cauwels woont) bezet hielden, nl. het 5e en 6e linie en ook troepen burgerwacht uit Oost-Vlaanderen. Delen van deze laatste eenheid lagen te Hoeke van 16 tot 30 oktober en van 1 tot 30 november 1831, alsook burgerwachten uit Kortrijk. De eerste ban van de burgerwacht van Hoeke lag op de grens in Oost-Vlaanderen, te noorden van Gent.

 De gemeente kreeg overlast van inkwartiering. Zij telde slechts 152 inwoners en 28 huizen, waarvan twee hofsteden met zes paarden, vier van twee paarden, terwijl de andere gebouwen veel kleiner waren. Soms werden 80 tot 90 man op de gemeente ingekwartierd, zodat er van 10 tot 25 man lagen op iedere hofstede, en 3 a 4 man in de kleinere huisjes.

In de omliggende gemeenten, met uitzondering van Westkapelle lagen er weinig soldaten. Hoeke vroeg een vermindering van de inkwartiering op 14 december 1832, op 18 maart en ook op 18 juni 1833, wanneer de soldaten in de streek fel verminderd waren.

Maar deze te Hoeke moesten er blijven omdat zij op korte afstand lagen van hun wachtposten aan de Nachtegaal en de Blauwe Sluis. Hier had een van de inwoners voor de soldaten een wachthuis opgetimmerd. Hij vroeg dat de gemeente Hoek daarvoor tien cent per soldaat zou afhouden van het inkwartieringsgeld dat aan de inwoners van Hoeke uitbetaald werd. Want de inwoners van Hoeke moesten het eten naar het wachthuis brengen voor hun soldaten die aldaar de wacht optrokken. Hoeke weigerde omdat de Blauwe Sluis en het wachtlokaal op Lapscheure lagen. Deze betwisting duurde tot in december 1833. Drie maanden later betaalde het ministerie van oorlog eindelijk 40 Fr 95 voor het leveren van het wachtlokaal.

Bij de inkwartiering van de soldaten te Hoeke moet nog vermeld worden dat op 22 februari 1833 korporaal Sommelier, van de derde compagnie vijfde bataljon van het 10e linie, in het terugkeren van Westkapelle, door het ijs van de Hoekevaart was geschoten. Hij werd gered door de molenaar Van Holm, en de gemeente vroeg een beloning voor de redder. Op 10 augustus 1833 kwam het nieuws dat de molenaar een medaille zou ontvangen ter waarde van 40 Fr. Deze erepenning, die hem toegekend was bij Koninklijk Besluit van 30 juli 1833, werd hem plechtig overhandigd op het gemeentehuis, door de burgemeester, op zondag 22 december, na de Mis. Het was de eerste Belgische decoratie die te Hoeke werd verleend.

Wordt voorgezet in 1820-1840 in de Sint-Guthagostreek - Hoeke (2de deel)      

0000000000000000

Nota’s

  1. Rijksarchief te Brugge: Brugse Vrije, reg n° 15880, f° 22.
  2. A. De Smet: L’origine des ports du Zwin: Damme, Mude, Hoeke, Monnikerede et Sluis; in « Etudes d’Histoire dédiées à la mémoire de H. Pirenne »  Brus. 1937, pp  137-139.
  3. J. Opdedrinck: Geschiedkundige Snipperingen uit Houcke’s Verleden en Heden,  Brug’ 14
  4. Rijksarchief Brugge, Gemeentearchief van Hoeke Nrs 1 en 2.
  5. Ibidem, Nrs 5 en 6.
  6. Jos De Smet: Rond de Poldertorens, 3e jaar blz 113-115.

1820-1840 in de Sint-Guthagostreek - Hoeke (1ste deel)

Dr. Jos De Smet

Rond de poldertorens
1961
04
122-133
Achiel Calus
2023-06-19 14:37:15