1820-1840 in de Sint-Guthagostreek - Hoeke (2de Deel)

Dr. Jos De Smet

wapenschild-hoekeDit is het vervolg van: 1820-1840 in de Sint-Guthagostreek - Hoeke (1ste deel)

Voor de betaling van het vervoer met paarden en wagens ontstonden betwistingen. In december 1832 had de gemeente tien dagen lang iedere dag een wagen met twee paarden geleverd te Westkapelle voor de vervoer-dienst van het vierde bataljon van de Burgerwacht van Oost-Vlaanderen. De officieren weigerden een bon af te leveren voor een wagen met twee paarden, omdat slechts een kar met één paard werd gevraagd. Waarop Hoeke liet opmerken dat geen enkel kar voor één paard op de gemeente voorhanden was, en dat in de winter, ten gevolge van de slechte toestand van de wegen, soms drie paarden voor een wagen moesten gespannen worden.

Ook voor de militaire verdedigingswerken werden werklieden opgeëist door kapitein de Spot van de Genie. Zo werkten aan de afdamming van de Zwarte Sluis 15 man op 12 augustus 1831, 15 man op 16 augustus en 18 man op 15 september daarna; wat een totale uitgave veroorzaakte van 32 Flor 20, daar ieder werkman 70 cent of 1,47 Fr per dag verdiende en de piqueur of ploegbaas één gulden (2,12 Fr)

Geleidelijk echter verminderde de spanning tussen België en Nederland. Veel soldaten werden regelmatig met verlof naar huis gezonden. In het najaar van 1833 waren soldaten van de linieregimenten en van de jagers te voet, met verlof naar huis gezonden. Op 1 januari 1834 moesten zij hun korpsen vervoegen. Hun verlof werd einde december 1833 door de minister van oorlog verlengd tot op 1 april 1834.

De inkwartieringen waren overal veel verminderd. Daarom richtte de minister van oorlog een rondschrijven aan de gemeenten om te vragen dat de wapens en de uitrustingenstukken, door de soldaten in de kwartieren achtergelaten, op de gemeentehuizen zouden verzameld worden ten dienste van het leger. Te Hoeke hadden de soldaten niets achtergelaten. Op het gemeentehuis bevonden zich slechts enkele pieken, die voor de burger-wacht gezonden waren. Daar de beschikbare geweren onvoldoende waren, had de regering 50.000 pieken besteld om de burgerwacht te bewapenen. De burgerwachten van Hoeke die over een eigen jachtgeweer beschikten, weigerden deze pieken in ontvangst te nemen.

In januari 1835 waren nog enkele burgerwachten van de eerste ban uit Hoeke, in Oost-Vlaanderen gemobiliseerd en zouden weldra naar huis gezonden worden. De officier die ze aanvoerde, luitenant J. Cavey uit Hoeke, was reeds thuis, en had zijn ontslag als officier ingediend.

Dit is de laatste aantekening over de actieve deelname van inwoners van Hoeke aan de oorlog.

Wij vonden ook nog een spoor van de werking van de Orangisten in ons Land. Op 27 mei 1831 kon het gemeentebestuur schrijven naar de districts-commissaris te Brugge, dat er te Hoeke geen te Rijsel gedrukte spot-schriften tegen de Belgische Staat en ten voordele van de Prins van Oranje verspreid waren; en dat er aldaar door de partijgangers van de Prins geen geld was uitgedeeld.

Terstond na het sluiten van het vredesverdrag van 1839 werd de Nederlands-Belgische grens door de militaire overheid in kaart gebracht. De militairen kregen de toelating metingen te verrichten van op de kerktoren van Hoeke. Maar zij bleven aansprakelijk voor de eventueel aangerichte schade.

c/  De Overstromingen en de Waterafvoer

 Hoeke had echter veel te lijden van de overstromingen door de Hollanders, die, langs de sluis van het Hazegras en de Passluis te Sluis, zeewater staken om hun grenzen gedurende de oorlog te beveiligen. Wel werden van Belgische zijde verdedigingsmaatregelen getroffen door het opstoppen van de Zwarte Sluis en het werpen van dammen in de vaart Brugge-Sluis: één bij Hoeke en twee te Oostkerke; een van deze laatste was voorzien van twee kokers. In de vaart naar Sluis werden vijf hulpsluizen gebouwd voor de afwatering van de streek, die nu gebeurde langs de vaart naar Oostende nl: twee te Lapscheure, één te Hoeke, één te Oostkerke,  één te Koolkerke.

Op 31 augustus 1831 stonden Ha 20.08.60 ca?, meest grasland, in de gemeente onder water. Op 22 januari 1832 was nog slechts een klein gedeelte van de gemeente overstroomd, nadat de Zwarte Sluis afgedamd was en er, ter vervanging, een nieuwe sluis was gebouwd in de vaart Brugge-Sluis.

De 5e februari 1833 was een dijk doorgespoeld op Nederlands gebied en waren enkele weiden ondergelopen.

Na de overstromingen kwam de droge zomer van 1833. Er was geen water om het vee te drenken. De gemeenteraad vroeg op 1 augustus 1833 aan de districtscommissaris dat de sluizen, die het water van de Sluise vaart ophielden, zouden opengesteld worden.

De schade veroorzaakt door de overstromingen gedurende de oorlog beliep tot 2511,17 Fr in 1831, tot 1116,91 Fr in 1832, 571,44 in 1833, en tien maal meer of 5771,46 Fr in 1834. In 1836 was een wet gestemd om een oorlogschade uit te betalen voor een gezamenlijk bedrag van 300.000 Fr. En het aandeel van Hoeke bedroeg 51,44 Fr.

Met januari 1834, ten gevolge van de langdurige regens, liepen opnieuw veel landerijen onder water. Door het sluiten van de sluizen op Nederlands gebied kon het water niet regelmatig wegstromen. In oktober stonden opnieuw veel landerijen blank en vielen talrijke werklieden zonder werk.

Op 3 december 1835 kon de gemeenteraad mededelen dat er geen overstroomde landerijen meer op de gemeente te vinden waren. De toestand werd opnieuw kritiek ten gevolge van het tempeest van 29 november 1836. Daar de Passluis gesloten bleef, kon het water niet afvloeien en stonden veel velden blank van december 1836 tot februari 1837, waardoor grote schade veroorzaakt werd.

Nog in april 1839, enkele dagen voor het sluiten van het Verdrag van Londen (19 april), stond ten gevolge van de winterregens, een derde van het land onder water, omdat de Passluis te Sluis nog altijd gesloten gehouden werd.

Zelfs na het eindigen van de oorlog was de waterafvoer slecht geregeld. Einde 1839 was nog een derde van het land overstroomd ten gevolge van de aanhoudende regens. Er werden maatregelen gevraagd om het water op een behoorlijke wijze te kunnen lossen.

Nochtans werden terstond na het sluiten van de vrede, maatregelen beraamd voor een doeltreffende waterafvoer, zonder dat men nog zou afhankelijk zijn van de sluizen op Nederlands gebied.

Vóór de Belgische Omwenteling gebeurde de afwatering van de streek tussen de vaart van Sluis en de Noordzee, langs de Zwarte Sluis te Hoeke en de Sluizen van het Pas te Sluis en die van het Hazegras.

De Belgische regering had een ontwerp voorgelegd voor het graven van een afwateringskanaal van Zelzate naar Heist, dat later de huidige Leopoldvaart zou worden. Het eerste ontwerp voorzag echter dat de vaart ten westen van Damme zou lopen en niet ten oosten, zoals later uitgevoerd werd. Het gemeentebestuur van Hoeke was tegen het graven van deze vaart die veel schade zou berokkenen aan de landerijen en de hofsteden, en waardoor een grote oppervlakte aan landbouwgrond zou verloren gaan. Deze vaart zou misschien nuttig zijn voor andere gemeenten, maar zou schadelijk zijn voor Hoeke. Daarom stelde de raad voor de bestaande sluizen en afwateringskanalen te verbeteren, de Zwarte Sluis en de Blauwe Sluis te herstellen, evenals de Hazegrassluis; de Hoekevaart te reinigen en te verdiepen.

Daar de Hazegrassluis slechts water kon lossen bij laag tij, zou vóór deze sluis, aan de landzijde een diep en breed kanaal moeten gegraven worden, waarin het water zou verzameld worden gedurende de uren dat de Hazegrassluis gesloten bleef. Bij laag tij zou de inhoud van het kanaal langs de Hazegrassluis in zee geloost worden, waar een sterke stroming zou ontstaan, die de verzanding van de Hazegrassluis doeltreffend zou bestrijden.

d/  De oogst

Deze overstromingen gedurende de oorlogsjaren veroorzaakten grote schade aan de oogst. De oogst van 1833 was slechts middelmatig gelukt, evenals die van 1834. In dat laatste jaar waren al de prijzen van de landbouwproducten gedaald en was er bijna geen vraag naar paarden en vee. De oogst van 1835 was beter, maar de crisis in de veehandel duurde voort. In 1836 gaf de oogst van tarwe, gerst en haver, een vierde minder dan deze van het vorig jaar, terwijl het koolzaad een derde min gaf, waardoor hoge prijzen betaald werden. De aardappelen daarentegen brachten een tiende meer op, maar hier daalde de prijs. Er werden hoge prijzen betaald voor paarden en vee. In 1837 daalden de prijzen voor tarwe, gerst, haver en aardappelen, terwijl de prijs voor de paarden steeg. De oogst van 1838 viel veel slechter uit, maar de prijs van het graan, de haver, de gerst en het koolzaad was gestegen, terwijl deze van de aardappelen gelijk gebleven was. De handel in paarden en vee begon opnieuw te bloeien. In 1839 was de oogst veel beter en waren de prijzen van de landbouwproducten gestegen.

Het einde van de oorlog werd officieel aangekondigd te Hoeke, wanneer op zondag 23 juli 1839, na de mis, de artikels 17, 18 en 19 van het tractaat van Londen (19 april 1839) werden afgelezen. Volgens deze artikels mochten de grondeigenaars gaan wonen in België of in Nederland. Wie wilde vertrekken kreeg twee jaar tijd om zich te ontmaken van zijn eigendommen en zou mogen het geld, dat ervan voortkwam, onbelast in het ander land invoeren. Iedereen mocht ook grondeigenaar blijven in het ander land. Dit gold ook voor de eigendommen die door de nieuwe landgrens in twee delen waren gesplitst.

e/  Inrichting van het Belgisch Bestuur

A.    De Gemeenteraad

De eerste verandering op bestuurlijk gebied was de vervanging van burgemeester  F. De Smidt, op 12 november 1830 door de eerste assessor: J. Beyne.  F. De Smidt werd opnieuw assessor.

De briefwisseling van het gemeentebestuur geschiedde zowel in het Frans als in het Vlaams. Waarschijnlijk werd iedere brief beantwoord in de taal waarin hij was opgesteld.

Het duurde tot na de inhuldiging van onze eerste Koning (21 juli 1831), vooraleer de plaatselijke ambtenaren de nieuwe eed van getrouwheid moesten afleggen: ”Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de constitutie en aan de wetten van het Belgische Volk”. Vóór de eedaflegging werden al de ambtenaren  “indagtig gemaekt dat het dekreet van eeuwige uitsluyting van de Leden van het Stamhuys van Oranje-Nassau aen alle heerschappy in België, deelmaekt van de constitutie”.

In januari 1833 werden al de gemeentebesturen aangezet een beeltenis van Koning Leopold I aan te kopen voor de zaal waar de gemeenteraad zijn vergaderingen hield. De districtscommissaris zou voor de bestelling zorgen. Maar Hoeke antwoordde op 21 januari dat zij er geen kopen zou, omdat ze reeds sedert lang een portret van onze Koning bezat, ”de welke bestaet in een nog al goede print”.

Na de stemming van de nieuwe Belgische gemeentewet van 30 maart 1836 werden overal nieuwe verkiezingen gehouden voor de gemeenteraden. Voor deze verkiezing waren te Hoeke 22 kiezers ingeschreven. De verkiezing gebeurde op zondag 14 juni, na de mis om 9 uur. De uitslag werd reeds hierboven aangegeven. Het schepencollege en de secretaris werden benoemd door Koninklijk Besluit. De nieuw gekozenen, evenals de secretaris, legden de grondwettelijke eed af op vrijdag 14 oktober 1836 om 10 uur.

Ten tijde van het Verenigd Koninkrijk droegen de burgemeesters als kenteken van hun ambt een ketting met medaille, zoals dit nu nog het geval is in Nederland. De Kon. Besluiten van 25 jan. en 15 maart 1837 keerden terug naar het gebruik uit het Franse Keizerrijk, waarbij burgemeester en schepenen sluiers droegen als teken van hun ambt. De sluiers werden door Hoeke besteld bij de arrondissementscommissaris op 6 maart 1837.

Al de gemeenten zouden ook een nieuw zegel ontvangen. Daartoe werd in april 1837 aan ieder gemeente de beschrijving gevraagd van haar gemeentewapen. Hoeke dat als stad, vroeger een eigen wapen bezat, had er toen geen, en het is slechts het Kon. Besluit van 29 april 1845 dat aan Hoeke zijn historisch wapen terugschonk, namelijk drie gouden halve manen op een rood veld.

Daar ze nog niet over haar eigen wapen beschikte, vroeg de gemeente op 5 januari 1838 een officiële gemeentestempel, volgens het model van de regering, waarop geen wapenschild stond, maar een rechtstaande leeuw. Dit zegel kostte 15F.

Op 6 oktober 1837 werd er van uit Brugge gevraagd of er te Hoeke geen oude archieven bewaard werden bij particulieren. Het antwoord luidde ontkennend.

B.   De Kiezers

Onder de nieuwe Belgische grondwet bleef het aantal kiezers beperkt. Hoeke had geen enkele kiezer op 3 november 1830 voor de verkiezing van het Nationaal congres, waarvoor iedereen die 25 jaar oud was en 100 gulden aan directe belastingen betaalde of een vrij beroep uitoefende (rechter, advocaat, notaris, geestelijke, hogere officier) kiesrecht bezat. In augustus 1831 waren er ook geen kiezers voor de Kamer en de Senaat.

Maar wanneer op 9 juni 1837 de lijst opgemaakt werd van de kiezers te Hoeke, waren er reeds twee voor de Kamers en voor de Provincie, en 26 voor de gemeenteraad.

Daar de vrouwen geen kiesrecht hadden, werd aan sommige weduwen, die genoeg belastingen betaalden, toegelaten een van hun zonen in hun plaats te laten stemmen. Te Hoeke waren er geen, noch in juli 1836, noch in mei 1838.

Het Belgisch Parlement had in het strafrecht opnieuw de gezworenen of jury ingevoerd voor de zaken die door het Assisenhof afgehandeld werden, zoals dit bestond onder het Franse Keizerrijk (De Nederlandse wetgeving had de jury afgeschaft in 1816). Om lid te worden van de jury moest men over een voldoende geleerdheid beschikken en tenminste 60 gulden (126,90 Fr) aan rechtstreekse belastingen betalen. Geen enkel inwoner van Hoeke kwam in aanmerking als gezworene van 1832 tot 1839.

C.   De Douane

De Belgische omwenteling van 1830 bracht voor Hoeke nog grote moeilijkheden door de scheiding van Noord en Zuid. De grens tussen de provinciën Zeeland en West-Vlaanderen werd opnieuw een landsgrens, waarlangs een douanelinie werd ingericht. Hoeke kreeg een douanepost zoals ten tijde van de Oostenrijkse Nederlanden. De eerste grote moeilijkheid was het onderbrengen van het douanepersoneel. De gemeente telde slechts 28 huizen, en was zeer dikwijls overbelast met inkwartiering. Op 12 oktober 1831 moest reeds aan de districtscommissaris medegedeeld worden dat het volstrekt onmogelijk was een huisvesting te bezorgen aan de brigadier van de douane. In september 1832 kreeg Hoeke ook nog een ontvanger van de rijksbelastingen. Voor de huisvesting van deze ambtenaar werd een drukke briefwisseling gevoerd met het district te Brugge. Eerst wilde de ontvanger een leegstaande huis betrekken, maar het was reeds verhuurd.

Op 12 okt 1832 vroeg de ontvanger om de leegstaande pastorie te huren. Deze was ten dele bewoond door de koster; en de pastoor van Westkapelle, evenals het gemeentebestuur van Hoeke, weigerden het overige van de pastorie te verhuren, in de hoop dat Hoeke weldra opnieuw een eigen pastoor zou krijgen. Eindelijk in juli 1834 hield de ontvanger zijn bureel in de kamer waar het gemeentebestuur gevestigd was.

De inrichting van de douane te Hoeke bracht veel ingewikkelde formaliteiten mede voor het vervoer van de oogst en van de landbouwproducten en voor het aanbrengen van het vee naar de weiden en naar het binnenland. Vanaf 1833 doet de gemeenteraad daarover ieder jaar zijn beklag in het officieel jaarverslag. De inwoners vonden hun weg niet in de talrijke formaliteiten en werden gedurig in overtreding genomen, terwijl zij meenden volledig in orde te zijn.

D.   De Politie

Onder oogpunt van politie worden geen misdaden vermeld te Hoeke. Vanaf de winter 1833-34 had de regering aan de gemeenten opgelegd, opnieuw gewapende patrouilles uit te zenden gedurende de winternachten. Te Hoeke waren deze patrouilles niet uitgegaan, omdat, ten gevolge van de overstromingen, de wegen niet te gebruiken waren noch door de patrouilles, noch door de misdadigers.
 
Maar op 3 april 1834 moest de burgerwacht van Hoeke iedere nacht vijf man stellen als patrouille omdat er in de streek van Tielt, nachtelijke roofovervallen gepleegd waren.  Deze patrouilles gingen uit van 22 tot 5 uur.
 
Gedurende geheel de winter van 1834-35 gingen de patrouilles iedere nacht uit. Ze herbegonnen op 8 januari tot 14 maart 1836, van 22 tot 4 uur, omdat er te veel gestolen werd in het district Brugge.

In de winter van 1836-37 bleven de patrouilles thuis, omdat de wegen onbruikbaar en gevaarlijk waren ten gevolge van de overstromingen. De volgende winter trokken opnieuw nachtpatrouilles uit, maar gedurende de vorstperiode bleven zij geschorst.

Ondertussen was de plaatselijke veldwachter Louis De Klerck aan het drinken gegaan en verzorgde hij zijn dienst niet. Hij overleed echter op 4 oktober 1834. Als opvolger werd zijn zoon Jakob De Klerck aangesteld, die reeds jaren zijn vader behulpzaam was bij de dienst, en die als oudste van tien kinderen, zou helpen de familielast van zijn moeder dragen.

Regelmatig wordt uit Brugge gevraagd of er vreemdelingen op de gemeente verbleven, waarop iedermaal ontkennend geantwoord werd. Maar vanaf 1834 kreeg Hoeke veel overlast van bedelaars uit Brugge, die de gemeente afliepen onder voorwendsel van leurhandel te drijven. Er werd gevraagd dat de stad Brugge haar poorten zou gesloten houden. Einde november 1834 was de bedelarij fel verminderd maar niet volledig verdwenen. Het waren nu meest oude en gebrekkige personen die men niet kon aanhouden. Dit duurde voort tot in 1836.

Niettegenstaande de oorlogstoestand tussen Nederland en België, werden toch paspoorten aangevraagd door inwoners van het Nederlands gebied om naar België te komen. Op 5 augustus 1837 vroeg de gemeente Hoeke aan de militaire overheid te Brugge een paspoort voor François Mergaert, geboren te Hoeke en winkelier te Sluis, om voor zaken naar België te reizen; en op 30 september daarna vroeg zij hetzelfde voor Jakob Bernard Tilleman, koster te Sluis. Deze ontving op 1 okt. 1837, onder nr 6327, van kolonel-militaire bevelhebber van West-Vlaanderen, een paspoort om gedurende één jaar naar Brugge te reizen. Op 29 september 1838 vroeg de gemeente Hoeke de vernieuwing van dit paspoort.

Geen enkel inwoner van Hoeke vroeg een paspoort voor Nederland. Ten andere, volgens de opgave van 28 juli 1834, bezat geen enkele Hoekenaar eigendommen in Nederland, terwijl één Belgisch burger uit Sint-Anna-ter-Muiden, te Hoeke 9 gemeten en 212 roeden land bezat.

Als buitengewone gebeurtenissen kunnen wij nog aanstippen dat op 15 maart 1837, een Brugs kind van tien weken oud, langs de openbare weg gestorven was in de armen van zijn moeder, die waarschijnlijk bedelde. Op 27 juli 1839, tussen 4 en 5 uur, werd de koornwindmolen van Joannes Van Holm langs de Hoekevaart, door een stormwind omgeworpen en volledig verbrijzeld. Dit huisgezin van zeven personen was nu straatarm geworden. De gemeente vroeg dat de regering hem zou schadeloos stellen. Drie dagen later vroeg zij aan de arrondissementscommissaris de toelating voor Van Holm om in het arrondissement een collecte te doen.

De verzekeringen waren toen nog weinig populair. Als gevolg op een aanvraag van de arrondissementscommissaris vond het gemeentebestuur van Hoeke op 12 september 1839 het ogenblik niet geraadzaam om de openbare gebouwen van de gemeente te verzekeren tegen brand.

E.   De Collecten

De collecten voor publieke rampen, die vroeger door het Nederlands bestuur waren ingevoerd, werden nog regelmatig gehouden in ons Land.

Wij vinden de vermelding van de volgende omhalingen, met hetgene zij te Hoeke opbrachten. Inwoners van het arrondissement Leuven en uit de Provincie Limburg hadden veel schade geleden van de Nederlandse inval gedurende de Tiendaagse Veldtocht (4 - 13 augustus 1831); daarom werden op 26 oktober en op 29 november 1832 een collecte gehouden die 2 Fr 59 en 1 Fr 59 opbrachten. Op 25 augustus 1839 was het voor de slachtoffers van de brand te Stockheim: 10 Fr 91.

F.   De Armenzorg

Hoeke had weinig armen. Het aantal schommelde tussen twaalf en vijftien. De toelage die de gemeente verleende aan het armbestuur was zeer klein: in 1831, 32 flor.60 (68 Fr 90); in 1832, 181 Fr 22; in 1833, 36 Fr 10; van 1834 tot 1836 werden geen toelagen verleend; in 1838, 18 Fr 06 en in 1839, 20 Fr.

De jaarlijkse onderhoudskosten van de armen, die bij particulieren waren uitbesteed bij aanbesteding aan de minst vragende, werden geraamd voor een volwassen arme man of vrouw op 110 tot 120 Fr. Voor kinderen tussen 10 en 13 jaar werden 30 à 40 Fr per jaar betaald. Een vrouw uit de gemeente verbleef jarenlang in het Bedelaarswerkhuis te Brugge. In 1838 kostte dit aan de gemeente Hoeke 125 Fr 12.

G.   De Gezondheidsdienst

De koepokinenting gebeurde op onregelmatige tijdstippen. Op 12 november 1839 werden 16 kinderen de pokken gezet.

In april 1832 verspreidde de cholera zich in ons Land, meest in de steden. Hoeke bleef ervan gespaard, maar op 5 oktober stierf een Brugs werkman onverwachts te Hoeke. De heelmeester stelde vast dat hij aan de cholera was bezweken.

H.   De Postdienst

De gemeente was ook aangesloten bij de brievenpost. De landelijke post werkte op voldoende wijze. De brieven werden regelmatig besteld, alhoewel de brievendrager soms grote moeilijkheden ondervond uit oorzaak van de slechte wegen. De brievendrager vertrok uit Brugge rond 9 uur, naar Ramskapelle, Heist, Knokke en Westkapelle. Hij was gewoonlijk rond 15 uur te Hoeke. Als aandeel voor de landelijke brievenpost betaalde de gemeente Hoeke in 1838 de som van 5 Fr.

I. De Feesten

In de briefwisseling van de gemeente worden slechts twee feesten vermeld, namelijk de kermis van zondag 2 oktober 1836, waarvoor de gendarmerie gevraagd werd in de avond twee man te willen zenden om de veldwachter te helpen bij eventuele verstoringen van de orde. Alsook de nationale feestdag van 1837, die toen nog een herdenking was van de gevechten van september 1830 te Brussel. Het feest viel op zondag 1 oktober.

Het begon te 7 uur met klokgelui en het uitsteken van de nationale vlag op de toren en op het gemeentehuis. Om 11 uur was er het “Te Deum”  in de kerk, waarop ook de militaire overheid was uitgenodigd. ‘s Namiddags om 16 uur was er mastklimming en prijsbolling; om 17 uur had men een ringsteking, tonnenkoers en zaklopen. Er waren talrijke prijzen, want de gemeente had een toelage van 20 Fr verleend. ‘s Avonds was er geen politieuur voor de herbergen, maar voor alle mogelijke eventualiteiten werden voor de namiddag twee gendarmes gevraagd.

Voor de viering van de nationale septemberfeesten van 1838, zou te Brussel, een “carroussel of tornoy” gehouden worden, waartoe ruiters uit geheel het Land gevraagd werden. Ook te Hoeke; maar er waren geen liefhebbers te vinden.

6.   Hoeke na de Oorlog

Na het eindigen van de oorlog vielen nog enkele belangrijke gebeurtenissen voor op de gemeente.

a/   De Brug over de Vaart Sluis-Brugge

Eerst en vooral de poging om te Hoeke een brug te bekomen over de Sluise vaart, met een stuk nieuwe weg naar het dorp van Lapscheure. Vroeger bestond er te Hoeke geen brug. Gedurende de oorlog was een dijk in de vaart gelegd, waarover paarden en wagens konden rijden. De gemeente vroeg op 23 juli 1840 dat de dam in de vaart zou vervangen worden door een brug die de twee delen van de gemeente zou verbinden. Daartoe wilde ze gedurende acht jaar bijdragen met 3 % van de grondbelastingen, van de personele en van de meubilaire belastingen. De overige kosten zouden moeten afgedragen worden door de staat en de provincie.

Oostkerke vroeg ook de herstelling van de vroegere brug, die gedurende de oorlog was vervangen door een dam met twee kokers. Het zou een brug moeten zijn als deze die te Brugge aan de Dampoort over de Sluise vaart lag. De kosten werden geraamd op 3100 Fr. Oostkerke vroeg dat Hoeke haar aandeel in de kosten van deze brug zou bijbrengen, maar Hoeke weigerde omdat de nieuwe brug te Oostkerke, zonder nut was voor Hoeke. Zij stelde voor een brug te Hoeke te bouwen, die de verbinding zou verzekeren van Knokke en Westkapelle met Lapscheure, Moerkerke en Middelburg. Daartoe zou een nieuwe weg van 100 Vlaamse roeden (384 m.) door de schorren ten zuiden van de vaart moeten aangelegd worden, tot aan de landdijk van Lapscheure. Daardoor zou de afstand tot aan deze laatste gemeente met drie kwartier verminderd worden. Hoeke stelde voor, om 500 Fr af te dragen in de kosten van deze nieuwe brug op haar grondgebied.

De provincie wilde slechts één brug leggen voor Oostkerke en voor Hoeke samen. Beide gemeenteraden waren begin september 1841 samengekomen langs de vaart om te zien waar deze gemeenschappelijke brug het best zou liggen. Voor Hoeke zou deze brug nutteloos zijn. Nu had zij een eigen brug nodig omdat vroeger, voor 1830, de doorgang met wagens en vee over het huidig Nederlands gebied gedoogd werd, wat nu verboden was o.m. door de douanediensten van beide landen.

Eindelijk, in 1842, werd de brug te Oostkerke gebouwd. Voor de verbinding met Hoeke zou de noordelijke dijk van de vaart opgevoerd worden met zand, om te kunnen gebruikt worden door de wagens van Hoeke die naar de brug van Oostkerke wilden rijden. Sedert de oorlog echter waren de dijken van de vaart in erbarmelijke toestand. Deze behoorden aan de staat, die ze niet herstelde; zodat op 20 november 1844 de verzanding ervan tussen Hoeke en Oostkerkebrug nog niet had kunnen verwezenlijkt worden. Van een brug te Hoeke was voorlopig geen sprake meer. Pas in 1867 zou die er komen, toen ook de steenweg Lapscheure-Westkapelle werd aangelegd.

b/  Een Eigen Pastoor

De tweede grote gebeurtenis was de aanstelling van een eigen pastoor te Hoeke. Op 16 juli 1842 deed het gemeentebestuur daartoe een nieuwe aanvraag bij de bisschop van Brugge. Het gebouw van de pastorij bestond en had slechts enkele herstellingen nodig om de nieuwe pastoor te huis-vesten. Nu werd de aanvraag ingewilligd. Terstond werden de nodige herstellingen gedaan en op 24 maart 1843 vroeg de gemeente om 251 Fr 66 te mogen lichten van de penningen die zij bezat op de spaarkas, om een derde van de werken aan de pastorij te betalen.

Reeds enkele maanden vroeger had de gemeenteraad aan de arrondissementscommissaris gevraagd om de personele belasting, die in 1837 nog 257 Fr 87 bedroeg, te mogen opdrijven tot 450 Fr, om de wedde van de pastoor te kunnen betalen.

De nieuwe pastoor werd te Hoeke geïnstalleerd in december 1842. Het was Z. E. H. .Antoon Manhaeve (Ingelmunster 1796 - Zandvoorde 1870), die pastoor bleef te Hoeke van 1842 tot 1854.

c/  De School

Een derde belangrijke gebeurtenis was de stemming van de wet van 23 sept. 1842 op het lager onderwijs, waarbij, volgens art. 1, 2 en 3, ieder gemeente ten minste één lagere school moest bezitten. Zoals wij hoger zagen bestond te Hoeke sedert 1831 een particuliere school, waar handwerk en zekere vakken aangeleerd werden. Alhoewel deze school geen toelage ontving van de gemeente, werd ze toch druk bezocht.

Ingevolge art. 5 van de wet van 25 september 1842 vroeg de gouverneur op 15 december 1842 de lijst van de arme kinderen die recht hadden op kosteloos onderwijs. Te Hoeke waren er 36 kinderen die recht hadden kosteloos onderwezen te worden. Aan 0 Fr 45 per leerling zou de toelage van de gemeente voor hen 16 Fr 20 per jaar bedragen. Daar de gemeente niet over de nodige middelen beschikte om een eigen gemeenteschool op te richten, werd op 20 september 1843 besloten de particuliere school, die in 1831 door Jacob Sagaert was opgericht, als gemeenteschool aan te nemen.

De inkomsten van de gemeente bedroegen in 1843: 2723 Fr 69. Door de aanneming van de school zouden de uitgaven stijgen tot 3021 Fr 15, zodat er een tekort was van 297 Fr 46. Daarom vroeg de gemeenteraad om de opbrengst van de belastingen met 300 Fr te mogen verhogen.

Het schoolreglement werd vastgesteld in de zitting van de gemeenteraad van 20 juni 1844. Men nam het officieel ontwerp van reglement van de regering over, en voegde er de volgende bepalingen aan toe, nl.: Het maandelijks schoolgeld werd vastgesteld op 0 Fr 90 voor de leerlingen van de eerste klas; en op 0 Fr 75 voor deze van de tweede klas. De kosten van verwarming waren daarin begrepen. Voor levering van schoolbehoeften werd daarbij nog 0 Fr 20 per maand van de leerlingen gevraagd.

Voor heel het jaar waren de schooluren vastgesteld van 9 tot 11 en van 14 tot 16 uur. Het schepencollege zou de dagen bepalen waarop de openbare oefeningen van de leerlingen, alsook de prijsuitdeling zouden gehouden worden.

De verlofdagen waren de zaterdag en de zondag, de 21ste  juni  (Sint- Aloïsiusdag), alsook de andere verlofdagen aangegeven in het algemeen ontwerp van reglement. Er mochten geen andere “vaccantiën” gegeven worden, tenzij met de machtiging van het schepencollege.

Lees verder: 1820-1840 in de Sint-Guthagostreek - Heist (1ste deel)

1820-1840 in de Sint-Guthagostreek - Hoeke (2de deel)

Dr. Jos De Smet

Rond de poldertorens
1962
01
015-026
Achiel Calus
2023-06-19 14:37:15