De bevolkingscijfers van de gemeenten van onze kring

Dr. Jos De Smet

Jaren geleden sprak ik met mijn oude vriend Dr. Karel de Flou (± 1931), over de streek van het Zwin en drukte mijn verwondering uit dat, sedert de middeleeuwen, de bevolking aldaar zo zeer was achteruitgegaan. Mijn oude vriend hief waarschuwend zijn vinger op en verzekerde mij dat in de middeleeuwen al deze dorpen nog minder inwoners telden dan op onze dagen, niettegenstaande de welstand die toen alhier heerste.

Rond 1340 telde Brugge tussen 30.000 en 35.000 inwoners; Gent, de meest bevolkte stad van West-Europa, had er een 56.000 en leper een 20.000; terwijl Damme er ten hoogste 2.000 telde. De “stad” Monnikerede, die niet eens een kerk bezat, en waarvan de inwoners parochianen waren van Oostkerke, telde een 450 zielen.

Het was toen ook niet mogelijk grotere bevolkingen te ravitailleren. De landbouw was nog zeer primitief, al de wegen buiten de steden waren aardewegen, en de kleine riviertjes en vaartjes konden enkel bevaren worden in de winter, nadat de najaarsregens genoeg water hadden gegeven voor de scheepvaart. Deze beschikte aldaar over heel kleine bootjes, die ten hoogste zes ton konden vervoeren.

Slechts één waterloop was bevaarbaar in de zomer, namelijk de Reie tussen Damme en Brugge, omdat men er zeewater inliet door de zeesluis van Damme. De zeevaart gebeurde toen immers uitsluitend in de zomer. Om nu gedurende de zomer de verbinding te water tussen Brugge en het Zwin in stand te houden, wanneer de zeeschepen in het Zwin toekwamen, moest men zorgen dat de Reie bevaarbaar bleef voor kleine binnenscheepjes.

Nochtans was de binnenscheepvaart de gemakkelijkste vervoerweg. De kerk van Dudzele hing af van het kapittel van Sint-Donaas te Brugge, en ieder jaar in de herfst kwamen twee kanunniken van Sint-Donaas naar Dudzele om het sluiten van de kerkrekening aldaar bij te wonen. Zij werden per bootje te Brugge afgehaald en 's avonds op dezelfde wijze naar huis gebracht. De reis te water langs het Lisseweegs vaartje en zijn vertakking, het Dudzeels vaartje, was te verkiezen boven de zes kilometer aardeweg.

Het verkeer van reizigers in de middeleeuwen tussen de belangrijke haven van Sluis en de stad Damme, was ook niet groot. De veerboten, die toen tussen beide steden vaarden, mochten in de zomer ten hoogste zestien en in de winter ten hoogste twaalf betalende reizigers meenemen, met daarbij nog twee onbetalende gasten, meest bedelmonniken en pelgrims, en twee koppen bemanning. Een bootje dat niet meer dan twintig man kon vervoeren, was zeker niet groot.

Honderd jaar geleden waren de verkeerswegen in de streek van het Zwin niet veel beter. De vaart Brugge-Sluis was reeds gegraven, maar wanneer in september 1860 te Damme het standbeeld van Jacob van Maerlant ingehuldigd werd, kwamen de overheden, waaronder twee ministers, en de genodigden, niet met een rijtuig naar Damme, dat toen over geen enkele steenweg beschikte. De kleine stoomboot, die de dagelijkse verbinding Brugge-Sluis verzekerde, vaarde in de namiddag van Brugge naar Damme en keerde ‘s avonds met de genodigden terug. Er was echter geen plaats genoeg op het bootje, en daarom had het drie andere bootjes in sleep genomen om al het volk te kunnen vervoeren.

Zoals we hoger zagen werd de scheepvaart op zee slechts beoefend in de zomer. Kompas en zeekaarten waren nog onbekend, en de schepen moesten de kusten volgen om zich te oriënteren. In de winter was dit onmogelijk om reden van de geweldige stormen en vooral van de geringe zichtbaarheid, meestal veroorzaakt door de mist.

Het Zwin was een van de grote havens van de middeleeuwen, waar ook vreemde schippers een lading kwamen zoeken. Zo zien wij dat de schippers van de Zuiderzee, de gewoonte hadden in het najaar hun boten te Hoeke op het droge te trekken en aan palen vast te meren. Een man bleef ter plaatse en de anderen trokken te voet naar hun land terug. In de lente waren zij opnieuw te Hoeke om de zeevaart te hernemen van uit het Zwin.

Veel mensen denken dat de grote haven van het Zwin een buitengewoon groot scheepsverkeer kende, iets als de haven van Antwerpen in het klein. De geschiedschrijver Jacobus Meyerus schreef in 1561 dat in oktober 1468, in één getij, 150 schepen de haven van Sluis binnenliepen. Dit cijfer vindt men nu nog in talrijke boeken van geschiedenis. Maar volgens de bewaarde rekeningen van de loodsen van het Zwin uit het jaar september 1486 - september 1487, zijn er in geheel dit jaar slechts 73 schepen te Sluis binnengelopen, met een gezamenlijke lading van 8.272 ton; dus iets min dan de lading van één van de schepen van 10.000 ton, die in het Boudewijnkanaal aan de ketting liggen. Het kleinste van deze 73 schepen mat 40 ton, de drie grootste samen 800 ton, zodat het grootste schip slechts een 300 ton kon meten. Als ge nu te Brugge aan de Dampoort de binnenschepen bekijkt die aldaar versast worden, ziet ge dat ze meestal tussen 300 en 600 ton meten.

In 1304 werd een Vlaams leger over zee gezonden naar Zierikzee op het eiland Schouwen. De troepen werden vervoerd op 144 kleine zeeschepen, samengebracht uit al de Vlaamse havens. Deze 144 zeeschepen maten samen 3.600 ton of gemiddeld 25 ton per schip. Het kleinste van deze zeeschepen mat 14 ton en het grootste 38 ton. Daarnevens waren nog een tiental slagschepen of oorlogsschepen, om de vijandelijke vloot aan te vallen. Deze schepen waren koopvaardijschepen, opgeëist in de Vlaamse havens. Het waren koggen, de grootste handelsschepen uit die tijd, die tussen 100 en 150 ton maten.

Deze afmetingen geven ons een inzicht in de omvang van het middeleeuws scheepsverkeer op het Zwin, dat nochtans een van de meest bezochte havens was van West-Europa.

Wat nu de bevolkingscijfers van vroeger betreft, daarover hebben wij weinig gegevens, daar er slechts bij uitzondering een volkstelling gehouden werd, en dan nog voor een welbepaald klein gebied. De eerste algemene volkstelling dagtekent uit het jaar 1797.

In sommige kerkelijke documenten wordt het aantal communicanten van iedere parochie opgegeven; ‘t is te zeggen de inwoners van boven de twaalf jaar. Deze aangiften zijn nooit heel precies, maar slechts bij benadering gegeven.

Hoe was de verhouding tussen communicanten en niet-communicanten? Volgens een volkstelling in 1697, op bevel van de Franse intendant, in de Acht Parochiën van Veurne-Ambacht gehouden, telden deze parochiën, zonder de bijhorende onafhankelijke heerlijkheden, 5.825 inwoners.
Daaronder begrepen het aantal jongens onder de veertien en de meisjes onder de twaalf jaar, wat tot 2.166 beliep, t.t.z. 37,2 % van het aantal inwoners (1). Na aftrekking van de jongens van 12 en 13 jaar, zou dit daaromtrent 34 % of een derde van de bevolking geven.

In 1527 hebben wij het aantal communicanten voor Koolkerke 250, Lapscheure 200 en Lissewege 500. Dit komt dus overeen met de twee derden van de bevolking. Voegen wij het ontbrekende derde bij, dan vinden wij als bevolking in 1527 voor Koolkerke 375, voor Lapscheure 300 en voor Lissewege 750. Voor Knokke wordt opgegeven dat de parochie vijf hofsteden met vier paarden, zes met twee paarden en tien arme huisgezinnen telde. En de pastoor van Westkapelle liet opmerken over de berechtingen: ”de groote, horrible, quade weghen te gane metten sacramente” (2).

In de dekanale kerkbezoeken van 1619 en 1620 worden de volgende cijfers aangegeven voor de communicanten; tussen haakjes staat het volledig getal inwoners:

‘t is te zeggen het aantal communicanten vermeerderd met de helft: Dudzele 450 (=675), Heist 120 (=180), Knokke 60 (=90), Lissewege 450 (=675), Oostkerke 250 (=375), Ramskapelle 120 (=180), Westkapelle 300 (=450). Voor Moerkerke, Hoeke en Damme ontbreken de cijfers (3), maar in 1721 telde Damme 323 inwoners (4).

Ter vergelijking volgen hier de cijfers van de volkstellingen van 1797, 1831, 1859, 1909 en 1959.

  1797 1831 1859 1909 1959
Damme 710 832 1089 1155 1071
Dudzele 1218 1709 2045 2463 2089
Heist 431 700 1059 4840 8387
Hoeke 119 148 180 236 220
Knokke 547 1004 1285 2807 13230
Lapscheure 593 693 661 714 565
Lissewege 706 1250 1711 2187 2020
Moerkerke 1944 2659 3155 3076 2898
Oostkerke 503 816 960 1050 838
Ramskapelle 334 379 514 575 487
Westkapelle 844 1162 1381 1678 2317

Verwijzingen
1. Biekorf 1929 blz 278-282.
2. Rijksarchief Brugge, Nieuw Kerkarchief Nr 373.
5. Ibidem, Nieuw Kerkarchief Nr 396.
4, Biekorf 1955 blz 325.

xxxxxxxxxxxxxxxxxxx

MEDEDELINGEN

2. De Fanfare van Lissewege.

De heer Lucien Den Dooven stuurde ons zijn laatste werkje: een kleine geïllustreerde brochure met de geschiedenis van de jubilerende fanfare van Lissewege. Een prettig boekje dat op zijn tijd komt, want nu kon de schrijver nog zijn licht opsteken bij enkele leden van het “katholiek” muziek die voor 50 jaar met de fanfare van wal staken, en bij de “chefs” die lange jaren de bloei van de maatschappij hebben bewerkt. Echt goed werk op gebied van Heemkunde en Geschiedenis. Mochten veel van onze Leden dhr. Den Dooven navolgen en de levende geschiedenis van hun dorp vastleggen. Het boekje behoort nu tot onze Bibliotheek.

De bevolkingscijfers van de gemeenten van onze kring

Dr. Jos De Smet

Rond de poldertorens
1961
02
066-069
Achiel Calus
2023-06-19 14:37:15