Leest dit naervolghende ghebedt dat Ste Joris placht te lesen ende seyde aen den Konynck Davydt als hy ten stryde wylde ryden ofte gaen (Mededelingen: 4.)

Maurits Coornaert

Zoals ge ziet, Keizer Karel heeft er niets aan: we zitten minstens in het Oude Testament.

In het eerste nummer van deze jaargang, hebben we het dagboek besproken van een Heistse boer uit de XVIIIe - XIXe eeuw. Dit boek heeft niet alleen interessante bijzonderheden opgeleverd betreffende landbouw en veeteelt; het heeft ook een gans bijzonder dokument voor ons bewaard. Tussen de bladen steekt namelijk een perkamenten omslag, een soort beursje, met daarin een brief.

Op die brief staat een bezweringsgebed. De tekst werd in 1728 afgeschre-ven van een oudere kopie. De schrijver is iemand met een net schrift, die gans de brief aan één stuk door heeft geschreven, zonder ook maar één hoofdletter of punt of komma te gebruiken. Dat zijn van die dingen die ge een beetje vlug moet lezen, zonder er al te veel van te begrijpen.

Nadat we de brief volgens volzinnen en alinia’s hadden gekopiëerd, konden we de inhoud beter bekijken. We verdelen de tekst in 4 delen, die we gemakkelijkheidshalve aanduiden met de letters A, B, C en D.

A, is een plechtige aanhef die, niet zo oud als de bezweringsfornule, er in later kopiën wel is bijgeplakt.

B, geeft de oorsprong en het gebruik van het gebed en behoort dus ook niet tot de eigenlijke bezwering: de rubrieken worden hier met de gebeden meegezongen! Deze tekst vinden we min of meer terug in de varianten van Keizer Karels gebed. Het is vooral daadkrachtig hij vrouwen “in arbeid van kinde”, bij pasgeboren kinderen, en bij mensen die “ op de aardestrate liggen met St.-Jansziekte of St.-Kornelieziekte” t.t.z. met de vallende ziekte of de stuipen. De eerste zin die wij als titel van dit artikeltje gebruiken, schijnt aanvankelijk het opschrift geweest te zijn van het soldatengebed onder C.

C, is wel het oorspronkelijke deel. Het is een afgerond geheel en bevat de bezweringen. Het blijkt aanvankelijk een bezweringsformule te zijn geweest van soldaten vóór de strijd. Want het bestaat in hoofdzaak uit een zeven-voudige bezwering van wapenen. Zij worden bezworen bij het Kruise Kristi, bij de Kracht Gods, bij het Dierbaar Bloed van Jezus Kristus, bij het St.-Jans Evangelie, bij de bittere kelk daar de Joden ons Here mee laafden, bij de Maagdelijke Borsten van gebenedijde Maria, bij alle Gods lieve Heiligen.

D, is dan weer een later bijgevoegd plechtig slot, waarbij men 7 maal een kruis moet slaan. Deze tekst met Griekse en Latijnse woorden, is op zichzelf niet meer te verstaan en bewijst dat het “gebed” al vele generaties werd overgeleverd en afgeschreven. Op het einde van dit stukje folklore, pogen wij het laatste gedeelte te rekonstrueren.

 - - - - - - - - - - - - - -

A. “Maria, Joseph, Anne, cruyse Christi, behoet myn van alle noodt myns lychaems. Den ghechruysten Jesus van Naserene, ontfermt U mynder syele, opdat den boosen vyand vlucht van myn. Nu ende ynder hueren synder dyerbaer Bloed, Jesus Chrystus, dat Hy door syne mynnelycke ende heylighe veryssenesse myn wilt behoeden. In den naem des Vaders moet dit al gheschyden”.

B. “Alle daeghe, als gy condt ofte muecht, leest dit naervolghende ghebedt dat Ste Joris placht te lesen ende seyde aan den Konynck Davidt, als hy ten stryde wylde ryden ofte gaen”.

Soo uwe dit ghehedt leest ofte hooren lesen ofte over hem draagt, hy en sal niet aestelyck sterven, noch in gheen water verdryhcken, noch in gheen vier verbranden, nogh gheen fenyn en mach hem heschaedegen noch deiren.

Ende, so waar dit ghebet in huys is, geen schade van donder ofte blixem en sal daer gheschyden heden.

Ende, wanneer een vrouwe in aerbeyt licht van kinde, die dit ghehedt heeft ofte over hem draeght, sal genesen worden ende verlost worden van kinde, ende dat kindt sal syn harlyck (°) dopsel ontfanghen.

Ende, soo wanneer dat kindt gheboren is, soo legt desen brief in syn rechter handt: van tweedraghtygheydt ende van gheen ongeluck en sal dat kindt niet sterven; noch gebreck lyderi alsoc lange als het kind leeft; en het kindt sal het overhooft (°°) blyven van alle syne vrynden.

Ende, wat menschen datter op de aerdestraete lycht, syck met Ste Jans syeckte ofte Ste Cornelys syeckte, leicht desen brief in syn rechte handt: hy sal opstaen ende bevinden watter in beschreven staed hier in desen brief.

C. “Dat + cruyse Chrysty is met myn? Dat + cruyse is een waerachtygh teeken mynder syele. Dat cruyse + Chrysty behoed my van alle aestyghe ende onkennelycke doodt. Dat cruyse + weert ende verweert dat sweert van my ende alle pynen des doodts, ende geeft aan my dat eeuwygh leven amen.

“Noch besweere ick alle waepenen, toveraers ende toveressen, dat sy lyeden gheen cracht noch gheen macht en hebben over myn door Godts craght.

“Noch aan myn bywaert (°°°) dat den duyvel van der hellen geen macht noch over myn en kryege door dat dyerbaer Bloed Jesus Chrystus, opdat het verwynnen mach, dat het myn wyl bewaeren van alle ongheval myns lichaems. Ënde daerdoor besweere yck alle woepenen, iser ende stael, coper ende metael, loodt ende al datter geweld heeft voor Chrystus gheboorte ende naer Chrystus gheboorte.

“Ende noch besweere yck alle waepenen met Ste Jans Evangelye, dat sy gheen cracht noch geen macht verwinnen aen myn, ende yck myn mach(t) verwynnen ende onder myne wetten doen treden.

“Ende noch besweere alle waepenen met den bytteren kylck, daer de Joden Onsen Heere Jesus mede laefden.

“Noch Besweere yck alle waepenen met Godts lyeve Moeder, ghebenedyde Maria, door de Maeghdelycke Borsten, daer Sy haere Soone den ghebenedyden Jesus, mede laefde ende opghevoedt heeft.

“Noch beswoere yck alle waepenen met Godts lyeve Heylyghen.

“In den naeme des Vaders ende des Soons ende des Heylyghen Geest amen, moet dyt al gheschyeden door dese cracht, die Godt Almachtygh in den hemel heeft.

D. “ +   cruyt ogyst + amyse + oteos cruyse +   ageot ysschros cruyse + ogeos utymtos fesene + ymas sante sante deus sante maria syt myserere nobys rexouyse salimos cruyse +   acruyse in nomene patre et fyly et spyrytu sante amen.”  Anno 1728.

-----------------------------

Zoals D. daar staat, is het een raadseltje. Maar als we de kruistekens tus sen haakjes zetten, b.v.”( + cruyse) ogyst ( + cruyse + ) o teos”, en er op letten dat “cruyse” soms slecht afgeschreven werd, dan ontdekken wij algauw het Griekse gebed: “Agios o Theos” dat op Goede Vrijdag gezongen wordt bij de plechtige Kruisverering. Wij vermoeden dat het oorspronkelijk zo iets moet geweest zijn:

(+ cruyse) Agios (+ cruyse) o Theos [o heilige God]

(+ cruyse) Agios Ischymos [heilige Sterkte]

(+ cruyse) Agios Athanatos, eleison imas [heilige Onsterfelijke, heb medelijden met ons]

(+ cruyse) Sanctus, sanctus Deus, sancta Maria

(+ cruyse) (sit?) Miserere nobis (salimos?)

(+ cruyse) In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti. Amen.

___________________________________________

(°) Harlyck : volgens Verwijs-Verdam : haergelyck; dit laatste is gevormd uit “hare” en “gelyck” = hen gelijk = ieder van hen. Kan harlyck niet een vervorming zijn van “heerlijk” ¿

(°°) Overhooft : Verwijs – Verdam : opperhoofd, opperheer.

(°°°) Bywaeren : is misschien bewaeren = acht geven.

Leest dit naervolghende ghebedt dat Ste Joris placht te lesen ende seyde aen den Konynck Davydt al hy ten styde wylde ryden ofte gaen

Maurits Coornaert

Rond de poldertorens
1963
03
108-110
Achiel Calus
2023-06-19 14:37:15