Wat er uit oude kerkregisters te ruiken valt:
Ten tijde van de beroemde pastoor van Lapscheure

door L.T.A.

Gecotteerd :  D  I,  berust in het Lapscheurse kerkarchief, onder de weigerlijke en vaderlijke hoede van pastoor Pollet, een register, dat volgens de gewoonten van die tijd, dienst deed voor inschrijving van doopsels,  huwelijken en overlijdens. Het werd in 1728 door de gekende pastoor Franciscus Heldewijs begonnen, dan gedurende enkele maanden voortgezet door zijn coadjutor Petrus Hermie, om van 1756 tot 1759 volgeschreven te worden door pastoor Lambertus Melotte, die zeker nooit het maximum van de punten behaald heeft op het gebied van latijn!

Waar pastoor Heldewijs zeer zuinig de ene akte opeengedrongen op de andere heeft laten volgen, daar hebben zijn confraters ze wat netter van elkaar afgescheiden. Tegenwoordig wordt iedere kerkelijke akte afzonderlijk ondertekend door de opsteller. Op onderhavig register, onderaan iedere bladzijde tekent de pastoor: “Ita est, N N pastor Lapschure, en het jaartal’. Op onregelmatige tijdstippen werd een afschrift van die akten opgestuurd naar ‘t bestuur van het Brugse Vrije. Alsdan schreef de pastoor op zijn registers “Hucusque nobiles Domini habent franconatenses” (tot hier is een kopie in de handen van de edele heren van het Brugse Vrije).

Op gevaar af geschiedenis te “maken”, mag deze alleen opgemaakt worden met de steun van feitenmateriaal; en niet met hetgeen men “tussen de regels kan lezen”. Indien dit toch mocht, dan zou men dadelijk moeten zeggen dat de armoe uit die tijd, van tussen de regels de verwende mens van de XXe eeuw aangrijnst.

Bij het aangaan van een ondertrouw of een huwelijk, gebeurt het vaak dat de trouwlustigen geen eigen, familiegetuigen mee hebben. Dan wordt die taak waargenomen door mensen uit het gebuurte, door de kosters Louis Vandenbroucke en zijn zoon Andé, door Franciscus-Bartholomeus Heldewijs, neef van de pastoor, ofwel door zijn nichten Marie, Yvonne, Izabelle of Cecile Heldewijs. Ook, bij een dubbele trouw, gebeurt het dat getuigen en trouwers de rollen om de beurt omwisselen.

Armoede komt tot uiting vooral in de begrafenisakten, of wat we veeleer als  begrafenisakten moeten bestempelen. Inderdaad, veel  lijken worden ter aarde besteld zonder andere kerkelijke functies. Een paar dagen, of zelfs de dag na het overlijden, grijpt de begraving plaats; soms op de dag zelf van het afsterven. Waartoe immers wachten, als er daar toch niets anders bijkomt? Van lijkverzorging is er zeker niet veel spraak. De aanwezigheid van een lijk in een huis met beperkte ruimte, die veelal dicht bevolkt was, kon niet anders dan hinderlijk aandoen.

Zelfs een hoogdag van Allerheiligen was geen begrafenisbeletsel. Enkelen toch werden begraven met een gelezen Mis. Deze doden worden gewoonlijk op het kerkhof teraardebesteld. Anderen worden begraven - en dit zullen wel de rijken zijn geweest - in de kerk.  Voor dezulken heeft pastoor Heldewijs een rijke variëteit van officies. Gewoonlijk één dag of een paar dagen na het afsterven, worden die mensen begraven met een plechtige Mis en twee of drie plechtige of plechtigste absouten. Dan, 4 of 5 weken nadien, of zelfs later, grijpt de uitvaartplechtigheid plaats. Ondertussen kan men tegen die dag de familieleden uitnodigen en andere nodige schikkingen treffen.  Kinderen van rijkaards worden in de kerk bijgezet met een plechtige Mis, of sommigen met een plechtige Engelenmis.

Verondersteld wordt dat voor de onkosten van de teraardebestelling de naaste familie, hoe arm ook, instaat. Een paar malen wordt de begrafenis betaald door de dis. Dit is het geval met “Johannes-Ludovicus de Lespine, die in ‘t jaar 1741 de 1 september ‘s nachts overlijdt, na volledige berechting, en de 2e op het kerkhof begraven wordt op de kosten van de dis. Hij was geboortig van Melles bij Doornik”. Ook zo met “Catharina Vandevelde, die, gesterkt door het H. Oliesel, op 10 februari 1748  ‘s morgens te 5 uur overlijdt en de 11e op het kerkhof begraven wordt op de kosten van de dis. Zij was gans haar leven zinneloos en was geboren de 7 november 1692”.  Te verwonderen in dit geval (en een paar dergelijke staan genoteerd)  is het toedienen van het H. Oliesel; alsook die juiste ouderdomsdetail in een tijd dat de preciese leeftijd veelal niet gekend was en dat de betrokkenen zelf niet wisten hoe oud ze waren.

In de 31 jaren, waarover onderhavig register handelt, wordt er door pastoor Heldewijs maar één vermeld voor wie hij gratis een gelezen Mis gecelebreerd heeft. Mogelijks zijn er nog anderen onvermeld ?  Of zou hij teveel gelegenheden gehad hebben tot die gratisdiensten? Het gaat over “Philippus Blanzaert (gehuwd de 6 april 1728), die op 17 oktober 1735 te 1 uur ‘s nachts, plotseling sterft en de 18e op het kerkhof begraven wordt met een gratis private Mis. Hij was de echtgenoot van Marie-Anna Roulez en heeft ongeveer 40 jaar geleefd”.

Wie de begrafeniskosten van de volgende gevallen heeft gedragen, wordt niet gezegd. Mogelijks hadden die mensen toch enkele stuivers op zak!  “1730 : 13 oktober, ‘s morgens te 10 uur sterft, na Biecht en H. Oliesel, Judocus Verbeke, jonkman, die de 14e op het kerkhof begraven wordt. Geboren te Geluwe bij Menen, oud 17 jaar, was hij alhier bedelaar en landloper”.  “1735 : op 9 november, ‘s morgens te 8 uur, sterft onvoorziens en wordt te 5 uur ‘s avonds begraven op ‘t kerkhof: een zekere bedelaar.  Op 10 januari 1736, met een uittreksel van haar trouwakte van 3 februari 1732, getekend Dhoijere, pastoor van St-Salvators te Brugge, verklaart Johanna Grinsaers dat deze haar man was, met name Petrus Bringuet”.

Armoede blijkt ook nog bij Doopsels, waar mensen uit ‘t gebuurte gehaald worden als peter en meter; of waar de koster en zijn vrouw die taak waarnemen  of de “chirurg” Johannes Schaep, of een vroedvrouw. Verscheidene vrouwen worden in die hoedanigheid meermalen vermeld: o.a. Cornelia de Witte, die in de vele keren dat zij optreedt,  tweemaal genoemd wordt:  “beëdigde vroedvrouw”. Zij is de enige met die eervolle vermelding.

In lastige gevallen zien we Carolus-Ignatius Bonte optreden. Mogelijks had hij “hogere studies” gedaan dan de chirurg Johannes Schaep,  die overlijdt op 16 januari 1741. Hij, Bonte, past de “keizersnede” toe; altijd met dodelijke afloop voor moeder en kind. In zulke gevallen is Bonte ook de bijdehandse doper. Aldus: “1743 op 4 februari, te half elf  ‘s nachts is gestorven en de 6e begraven op ‘t kerkhof, met een solemnele Mis, samen met haar uitgesneden kind dat door Ignatius Bonte gedoopt werd, Maria-Catharina Soens, echtegnote van Franciscus Bataillie. Zij had gebiecht en overleed onvoorziens in de ouderdom van 42 jaar”. 

“Op 30 januari 1744, ‘s morgens te 5 uur is overleden Joanna Sarlet, echtgenote van Philippus Van Damme, nadat zij volledig berecht werd. De 2 februari wordt zij met een dienst van zes lessen in het O.L.V.-koor begraven samen met haar tweeling, uit de baarmoeder gesneden door Carolus-Ignatius Bonte en door hem gedoopt”.  Nogmaals zien we Bonte aan het werk met zijn moordaardig scheeralaam: “1757 op 2 december, rond 11 uur ‘s middags, voorzien van het H. Oliesel, overleed  Maria Dujardin in de ouderdom van ongeveer 24 jaar.  Zij was ongehuwd en met haar werd begraven haar zoontje, met name Carolus-Ignatius, die de 3e overleed en de 2e uit de baarmoeder van zijn moeder gesneden wërd. Zij werd de 4e, met een gezongen Mis, op het kerkhof begraven langs de zuidkant”.  Nog een andere operatie:  “1759: op 12 april, rond haIf twee ‘s morgens, na berecht te zijn geweest, stierf  Joanne Jacoba  Vandewalle en de 13e werd zij in het Ste-Barbarakoor in de kerk begraven. Samen met haar werd begraven Joannes, haar wettig kind, dat na de dood van zijn moeder levend uit zijn moeders baarmoeder werd gesneden. Zijzelf was ongeveer 22 jaar en de huisvrouw van Joannes-Petrus Stul. De hoogste uitvaartdienst zal door gaan de 15 mei”.  En onder de doopakten van pastoor Melotte vinden we : “1759 op 12 april, rond half twee ‘s morgens werd uit de baarmoeder van zijn dode moeder gesneden en onmiddellijk door mij gedoopt  (en dezelfde dag werden de ceremoniën aangevuld)  Joannes, wettige zoon van Joannes-Petrus Stul van ongeveer 38 jaar oud en gedoopt te Lapschure en van de overledene Joanna-Jacoba Vandewalle, eertijds echtgenoten.  Bij de aanvulling van de ceremoniën waren Peter en Meter Joannes Coene en Francisca Demeester.  De kleine overleed dezelfde dag en werd samen met zijn moeder begraven”.  Daar de boorlingen in de beide laatste gevallen enkele uren in leven blijven, schijnt de verloskunde van Bonte vorderingen te hebben gemaakt !  Wat moeten die moederkes, op wie de excisio toegepast werd, afgezien hebben!  Hun folteringen zullen hen verlangend. doen uitzien hebben naar het verlossende fatale einde.

De onbeholpenheid en de schamelheid van die tijd uiten zich dikwijls bij een geboorte, die de dood meebrengt van moeder en kind, zij het niet de dag zelf, dan toch kort nadien. Enkele keren is het gebeurd  dat een vader bij die omstandigheid  alleen aanwezig was en het moest klaarspelen én met de
verlossing én met nooddoop. Jaarlijks worden meerdere nooddopen genoteerd. Het moet zijn dat de pastoors niet veel trouw hadden in de dooplesbevoegdheid van de  “beroeps -vroedvrouwen”  noch van de occasionele; want telkens wordt, indien de tijd het toelaat, de nooddoop voorwaardelijk herdaan, enkele uren na de geboorte.

In het nevens elkaar leggen van akten van sterfgevallen en van huwelijken, krijgt men de indruk dat een eerste liefde gauw vergeten geraakt.  Weduwnaars en weduwen,  die na een half jaar, ja zelfs na 4 of 2 maanden in een nieuw bootje stappen, zijn geen uitzondering. Verwelkte liefde?  Of veeleer een dringende nood?  Een jonge weduwnaar of weduwe, die achterblijft met kleine kinderen, mogelijks zonder bestaansmiddelen, en die zijn jonge gezin van de ondergang redden wil ? Als een weduwe tamelijk vroeg na het afsterven van haar man hertrouwen wil, heeft zij bisschoppelijke dispensatie nodig “super viduitatem”.

Gemiddeld worden er 7 huwelijken per jaar genoteerd.  Betrekkelijk veel trouwlustigen gaan, enkele dagen of weken voor het huwelijk, de ondertrouw aan voor hun pastoor in tegenwoordigheid van twee getuigen. Zoals gezegd, wordt deze laatste functie nogal dikwijls waargenomen door mensen uit het gebuurte, door de koster, door neef en nichten Heldewijs. Neef Bartholomeus woonde bij pastoor Heldewijs; misschien ook de nichten, ofwel kwamen zij er regelmatig op bezoek. Met dit feit voor ogen, zal er wel niemand meer zijn, die nog geloof hecht aan de mooie legende dat de heldhaftige pastoor Heldewijs op de zolderkamer van de kerk toren woonde.

Opvallend veel sterfgevallen doen zich voor: gemiddeld 26 per jaar. De bevolking van toen zal wel niet veel verschild hebben in aantal met nu, alwaar jaarlijks nagenoeg een vijftal doden genoteerd worden. De kindersterfte was er toen zeer groot. Voeg daarbij jaarlijks enkele jonge moeders als gevolg van een geboorte en tamelijk veel jonge mensen gaande van 7 tot 40 jaar. Op de, voor de jaren 1728-58, getelde 819 sterfgevallen, komen er slechts 37 mensen voor, die met zekerheid de 60 jaar bereikt hebben. Hierbij weze aangemerkt dat voor velen de juiste leeftijd niet gekend is: de pastoor schrijft  “circiter = ongeveer”. Dat circiter kan een verschil maken van 5 tot 6 jaar en meer. Om maar een voorbeeld te geven. Op 10 februari 1756 treedt Joannes-Franciscus De Suttere in ‘t huwelijk (met dispensatie super viduitate”) met Joanna Mabesoone, weduwe van Jozef Stul. Deze laatste stierf de 5 december 1755, oud circiter 66 jaar. De 4 dec 1756 krijgt Jan De Suttere een zoontje, Cornelius. De ouders zijn dan respectievelijk circiter 22 jaar en 31. Op 25 november 1758 wordt zoon Mattheus geboren en dan is de vader Jan nog steeds ongeveer 22 jaar en de moeder Joanna-Cornelia is ook een paar jaar jonger geworden: nu staat ze circiter bekend als een 31 jarige! Voor velen zelfs wordt niet eens een benaderende leeftijd aangeduid.

Was het sterftecijfer hoog, dat van de geboorten was het niet minder. Jaarlijks staan gemiddeld 24 geboorten opgetekend. Bij die geboorten zijn er ouders,   die jarenlang jaarlijks of om de twee jaar op het appel verschijnen en wier kinderen even regelmatig vermeld worden op het dodenregister. Bij die, in 31 jaar, getelde 741 geboorten zijn er zeer weinig onwettige. Van die 741 moeten er 36 afgetrokken worden uit de jaren 1730-34. Het zijn Sluizenaren, die ofwel te Sluis ofwel te Lapscheure, door pastoor Heldewijs gedoopt werden. Onze nieuwsgierigheid over die jaren kreeg voldoening dank zij een bereidwillig briefje (waarvoor beste dank) vanwege dhr Ch, J. A. Bukkens, hoofd van de R. K. Jongensschool te Sluis. Uit zijn nota’s lichten wij het volgende: “in 1703 werd de parochie Sluis weder opgericht. De eerste wereldlijke priester, die als pastoor werd aangesteld, was de Z. E. H. Vermeersch. Deze trof het niet, want in 1729 werd de kerk op hoger bevel gesloten. Er waren twee kinderen uit het Gereformeerde Weeshuis weggelopen en enige katholieken werden verdacht daaraan meegeholpen te hebben. De pastoor werd in de gevangenis geworpen en daarna werd. hem het verblijf in de stad ontzegd. De kerkgewaden werden verkocht op bevel van de overheid. Aan de pastoor van Lapscheure werd  “bij gratie”  toegestaan aan de stervenden het H. Oliesel toe te dienen. Deze toestand  heeft geduurd tot 1734. De kerk mocht toen weer geopend worden en op 11 juli droeg de nieuw-benoemde pastoor, Z.E.H. Martinus de Zeeuw de H.Mis op. In 1742 vertrok deze geestelijke als pastoor naar Hoeke en in zijn plaats werd benoemd de Z.E.H, Diepa,”  In deze jaren noteert pastoor Heldewijs 2 sterfgevallen van Sluise inwoners.  Wij vertalen zo letterlijk mogelijk.  “1733 : op 8 febr overleed te Sluis van de Vlaanderaars,  te 1 u namiddag, Catharina Catelle, weduwe van Paulus Royer. Zij werd volledig door mij berecht. Zij werd begraven te Sluis de 14e en ligt in het noorderkoor.  De 13e heb ik in het sterfhuis de begravingsfuncties verricht. Haar uitvaart werd alhier gecelebreerd de 22e met de hoogste dienst. Zij was 60 jaar”.  “1733 de 15 febr. werd hier de uitvaart gehouden van Joannes Plancke met een dienst van 6 lessen. Hij overleed te Sluis op 1 jan te 9 u ‘s morgens, nadat hij aldaar volledig door mij berecht werd. Hij was de oudste kerkmeester van de R.K. kerk aldaar”. Wat verwonderlijk is voor het geval Catelle, is dat er voor die tijd, zo veel dagen verliepen tussen afsterven en teraardebestelling. Die pastoor Henricus Diepa is naderhand in Brugge overleden op 19 mei 1748 en de 20e in de kerk te Lapscheure begraven.

Opvallend is ook de late leeftijd waarop aan jonge stervenden de H. Communie toegediend wordt. Wie gingen er dan ook naar school en wanneer kregen zij onderricht?  Gewoonlijk  krijgen die jonge mensen, tussen 8 en 13 jaar ongeveer, het H. Oliesel na Biecht of Absolutie, echter geen H. Communie.

Vanaf 1755 worden in de doopakten de geboorteplaats van de ouders en hun ouderdom aangeduid; ook de datum van hun doopsel. Tussen juli 1755 en oktober, zijn geen overlijdens meer opgetekend. De laatste doopakte dateert van 30 september 1755 en het laatste huwelijk had plaats op 17 augustus 1755. De oude Heldewijs, die ondertussen wegens ouderdom en ziekelijkheid een coadjutor gekregen had, heeft waarschijnlijk de tijd niet meer gevonden om zijn laatste overlijdens neer te pennen. Hij overleed de 13 oktober van datzelfde jaar.

Een toonbeeldig boekhouder, die dag voor dag zijn nodige akten netjes noteert, is hij nooit geweest. Mogelijks schreef hij eerst op losse briefjes wat hij nader-hand, als hij eens goed gezeten was en heel wat akten te schrijven had, in zijn register overschreef.  Het is ook mogelijk dat hij ze daar inschreef uit het hoofd en zijn geschrift nooit herlas. Aldus zou uit te leggen vallen, hoe hij één en dezelfde doop tweemaal inschrijft, met verschil van datum en uur van geboorte, en dit op enkele centimeter afstand op hetzelfde folio 14 v°: 1737. : Eerst: “Op 18 februari, te 2 u namiddag geboren, werd de 19e gedoopt: Joannes-Franciscus, zoon van de echtelingen Petrus Timmerman en Joanna Lefevere.  Peter en meter: Petrus Lefevere en Cornelia Lefevere”.  Dan, onderaan het blad met een teken dat deze akte hoger op dit blad moet komen: “op 16 februari  rond 12 u middag geboren, werd de 17e gedoopt: Joannes-Franciscus, zoon van de echtgenoten Petrus Timmerman en Joanna Lefevere. Peter en meter: Petrus Lefevere en Cornelia Lefevere”. Indien Pastoor Heldewijs zo “zorgvuldig” was in zijn boekhouding, dan valt het licht te begrijpen dat omwisseling van akten plaats heeft gehad, dat data en uren “cum grano salis” moeten verstaan worden, en dat er zeker en vast akten geen plaats vonden in zijn register. Zoals bv. een paar huwelijksakten van mensen, die voor hun pastoor en getuigen hun ondertrouw komen doen, geen trouwakte krijgen, en dan een tijd nadien als echtgenoten met een kind in ‘t doopregister opduiken. Elders getrouwd, zal men misschien zeggen! Neen, want zulke trouwers krijgen ook een plaats in ‘t Lapscheurse huwelijksregister. Ook de paginering laat op sommige plaatsen te wensen over.

Aan het einde van deze beschouwingen over wat in en tussen de regels te lezen valt, kunnen we niet weerstaan aan de bekoring om de overlijdens- en begrafenisakte van Pastoor Heldewijs af te schrijven. Hij is van de hand van “Petrus  Hermie, deservitor loci de Lapschuere”.  Folie 122: ”1755, de 13 oktober, kwart voor 5 uur in de namiddag, stierf, volledig berecht, Zeer Eerwaarde Heer Franciscus Heldewijs. De 16e werd hij in de kerk begraven aan de voet van de preekstoel  tussen het midden van het hoogkoor en het H.-Barbarakoor,. Hij was pastoor van deze parochie gedurende ongeveer 40 jaar en 8 maanden.  Eertijds was hij ook een jaar en 9 maanden pastoor geweest te Hettelghem en Beeckhem; en ongeveer 4 jaar en 5 maand onderpastoor te Liesweghe.  Op dezelfde dag werd zijn uitvaart met plechtige Mis en hoogste dienst gecelebreerd. door Z.E.H. Jacobus Blome, deken van de Aardenburgse christenheid  en pastoor te Adeghem in Vlaanderen. Geboren en gedoopt in de Sint-Pietersparochie, neffens Brugge in Vlaanderen, heeft hij nagenoeg 70 jaar geleefd en 8 maanden”.

Edelwijs is pastoor geworden aan een frisse leeftijd. Zou men zich niet wanen in het tegenwoordige bisdom Brugge?  We lezen echter 1755: de laatste halve eeuw van het eerste bisdom Brugge (1559-1801), dat benevens het noordoosten van West-Vlaanderen, ook een deel van het huidige Oost-Vlaanderen en van Zeeland omvatte. Een ander deel van West-Vlaanderen stond onder de bisdommen Doornik en Ieper.

Wat er uit oude kerkregisters te ruiken valt: Ten tijde van de beroemde pastoor van Lapscheure

L.T.A.

Rond de poldertorens
1960
04
017-023
Achiel Calus
2023-06-19 14:37:15