Drie dokumenten (1455 – 1628 - 1815) over vroegere kerkelijke toestanden in ons gebied

Dr. Jos De Smet

In 1454 had de hertog van Boergondië Filips de Goede het plan opgevat een kruistocht te ondernemen. Ten einde daartoe de nodige geldmiddelen bijeen te brengen, liet hij in al zijn landen een belasting heffen op al de kerkelijke inkomsten van de geestelijkheid.

Reeds het volgende jaar, in 1455, deed zijn gunsteling, de bisschop van Doornik Jean Chevrot, een volledige staat opmaken van de inkomsten van de geestelijkheid in zijn bisdom.

Geheel onze streek ten oosten van de IJzer behoorde toen tot het bisdom Doornik.

De staat opgemaakt in 1455 geeft een kijk op de kerkelijke inrichtingen die toen in onze streek bestonden.

Wat vooral opvalt, zijn de zeer talrijke kerkelijke bedieningen, benefieten en stichtingen, die in sommige kerken bestonden. Daarenboven waren veel . geestelijken afwezig en lieten zich vervangen door een priester-huurling ofte "mercenarius".

Tot aan het Concilie van Trente, dat zetelde met tussenpozen van 1545 tot 1563, en dat de Katolieke Kerk volledig hervormde na de afscheuring van de Protestanten, bestond voor de geestelijkheid niet de plicht ter plaatse te verblijven en hun ambt persoonlijk te bedienen.

In die tijd waren de seminaries onbekend. Slechts een klein deel van de priesters ontving een behoorlijke opleiding op de enkele bestaande Universiteiten of op de scholen gehecht aan de kapittels van kanunniken. De overgrote meerderheid van de toekomstige priesters ging in de leer bij een dorpspastoor, die hun leerde wat hij zelf kon, gewoonlijk niet te veel. Waarna de kandidaten-priesters een niet te zwaar examen moesten afleggen, om dan tot de geestelijke wijdingen te worden toegelaten.

De weinige geestelijken die een grondige opleiding genoten hadden, bleven meestal in de steden wonen. Maar door voorspraak bekwamen zij allerlei kerkelijke bedieningen in de meest verscheidene plaatsen. Een deel van de inkomsten ervan streken zij op; de rest was voor de priester-huurling die hen ter plaatse verving. Deze had meestal te weinig om te leven, en daarenboven mocht hij zonder vooropzeg weggezonden worden.

Zo komt het dat onder de geestelijkheid een echt proletariaat bestond, dat naast zijn geestelijke bediening er nog iets bij moest doen om te kunnen leven. Ten andere, de bisschoppelijke statuten voorzagen welke bijberoepen deze huurlingen mochten uitoefenen: landbouwer, hovenier, veehouder, schilder, apoteker, visser, barbier, kleermaker, boekschrijver. De boekdrukkunst werd eerst ontdekt rond 1450. Voor die tijd waren al de boeken met de hand geschreven, zodat de plaatselijke geestelijkheid slechts over weinig boeken beschikte. Zij bezat niet eens een catechismus, het handboekje voor geloofs-onderricht dat onze schoolgaande jeugd nu sedert 1623 ter hand krijgt (1).

Zulke toestanden bestonden nog in het begin van de 20e eeuw bij de Grieks-Katolieke Maronietenbevolking van de Libanon. Voor de katolieken van Oosterse Ritus hadden de Franse Jezuieten een College gesticht te Beyrouth, waaraan een theologische faculteit was gehecht.

Ziehier wat Z.E.H. Edward De Gryse, pastoor deken van Kortrijk, daarover schreef, die van 6 oktober 1902 tot 7 februari 1903, een reis ondernam in het Oosten. “De Oosterse christenen zijn zeer arm en hebben de middelen niet om hun geestelijkheid een behoorlijk onderricht en een voldoende bestaan te bezorgen”. "Zoo men eenen pastoor noodig had, was men wel verplicht eenen landbouwer, eenen schoenmaker, eenen timmerman onder de beste christenen te kiezen; en zoo die man getrouwd was of is, dan had of heeft men eenen getrouwden pastoor… Als de pastoor nu gekozen was of is, gaat hij naar een klooster voor eenige maanden om de liturgie te leeren en hij wordt gewijd en als pastoor aangesteld"(2).

In veel kerken bij ons bestonden vroeger stichtingen voor het celebreren van een bepaald aantal missen in de week, en dit tot zielelafenis van de rijke stichters. Aan iedere stichting was een priester verbonden voor het lezen ven deze missen. Hij droeg de naam van kapelaan, omdat veel stichtingen in de kerk beschikten over een eigen altaar of kapel. Deze kapelaan was geen onderpastoor en had zich niet te bemoeien met de parochiale dienst, die uitsluitend viel onder de bevoegdheid van de pastoor of van de pastoors. Want veel parochies telden twee tot drie pastoors.

1. De Toestand in 1455

In het gebied van onze Kring vinden we enkele kerken met meer dan één pastoor, en met talrijke kapelanen; terwijl in de meer zuidelijk gelegen parochies, slechts twee of drie priesters aanwezig waren: de pastoor, de koster (die altijd een priester was), en soms een kapelaan. Ook de scholaster of schoolmeester was een priester.

Dit groot aantal priesters bij sommige parochiekerken in onze streek, wijst op de vroegere rijkdom van dit gewest, waarvan de welstand rechtstreeks of onrechtstreeks medeging met de bloei van de Brugse haven van het Zwin.

In die tijd hadden de bisschoppen slechts een gering aantal parochies in hun bisdom, waar zij de pastoor mochten benoemen. Deze werd meestal aangeduid door een kapittel van kanunniken, een abt van een vermaarde abdij, of zelfs door een wereldlijke heer.

De O.-L.-Vrouwkerk te DAMME telde twee pastoors, die benoemd werden door de abt van Saint-Quentin in Frankrijk. In 1455 waren aldaar pastoor: magister Franciscus Scade en Jacobus Arnoldi, die samen aangeslagen waren voor een jaarlijks inkomen van 120 lb. of pond parisis. Magister Franciscus Scade, zijn titel van magister bewijst dat hij zijn vorming genoten had op een Universiteit, was ontslagen van te Damme te verblijven door een indult van de Pauselijke Stoel. De naam van de huurling die hem verving, staat niet aangegeven.

De parochiekerk te Damme telde achttien kapelanijen en vijf andere stichtingen met last van missen.

Voor enkele van de kapelanijen staat aangeduid hoeveel de titularis ontving, indien hij zich liet vervangen; en ook hoeveel hij ontving wanneer hij zelf de dienst verzekerde. Deze twee inkomsten staan hier tussen haakjes. Het eerste is de betaling bij afwezigheid. Wanneer de kapelaan altijd ter plaatse moest verblijven, staat slechts één getal. Bemerk ook het verschil van inkomsten van de onderscheidene kapelanijen, en dit voor dezelfde prestaties.

De andere stichtingen werden betaald hetzij door de kerkfabriek, hetzij door de armendis. Voor iedere kapelanij staat meestal vermeld hoeveel missen in de week moesten gecelebreerd worden.

Ziehier de onderscheidene kapelanijen van O.-L.-Vrouwkerk te Damme:

  1. Sint Thomas, één mis (3 lb. of 9 lb.);
  2. Sint Cornelis (14 schell. Par.);
  3. Sint Egidius, één mis (14 lb. of 21 lb.);
  4. Sint Eligius, één mis (5 lb. of 11 lb.);
  5. Sint Niklaas, één mis (3 lb. of 9 lb.);
  6. het Hospitaal te Damme, één mis (4 lb. of 10 lb.), deze kapelaan was magister Johannes Cryn, een van de twee pastoors van Gistel, die echter aldaar niet verbleef;
  7. het Begijnhof te Damme, één mis (8 lb. 12 schell.);
  8. O.-L.-Vrouw-Vissers, drie missen (24 lb.);
  9. de Geseling, één mis (10 lb. of 18 lb.);
  10. Sint Laurentius, één mis (24 lb.);
  11. Sint Jacob, één mis (16 lb. of 24 lb.);
  12. O.-L.-Vrouw achter het koor… ;
  13. het Heilig Kruis (12 lb.);
  14. Sint Thomas, één mis (5 lb. of 15 lb.), hier was de kapelaan ontslagen van residentie door de Universiteit van Leuven;
  15. Sint Anna, één mis (9 lb.);
  16. Sint Pieter… ;
  17. de grote kapelanij van de Sint-Niklaaskapel, één mis (20 lb. of 28 lb.16 sch.)
  18. de kapelanij van het H. Kruis in dezelfde kapel (6 lb.).

De kosterij te Damme behoorde aan magister Georgius de Coutere, die afwezig was en ervoor 28 lb.16 sch. ontving. De scholasterij behoorde aan Jacobus Carpentarii, eveneens afwezig, die ervoor 36 lb. ontving. De huurlingen, die deze heren vervingen, moesten leven met wat de mensen hun wilden geven.

De andere stichtingen met diensten waren:

  1. deze van Sint Antonius, met 72 lb. inkomen, betaald door de kerkfabriek en bediend door een pater;
  2. deze van Sint Jacob, met een inkomen van 60 lb. betaald door de armendis; de dienst aldaar werd verzekerd door Cornelius Vos, die ook de 5° apelanij van Sint Niklaas bediende;
  3. de dienst van Sint Salvator en Sint Paulus, twee missen in de week (20 lb.);
  4. de dienst van O.-L.-Vrouw-Barmhartigheid (48 lb.) betaald door de armendis; deze dienst werd verzekerd door Jacobus Cryn, die ook de 10° kapelanij van Sint Laurentius bediende; en eindelijk
  5. de dienst van Sint Pieter, waarvoor de kerkfabriek ieder jaar 36 lb. betaalde.

Damme telde nog een tweede parochiekerk, Sinte Katelijne, die de buitensteedse bevolking bediende. Ze telde een pastoor, Cornelius Voghel, met een jaarlijks inkomen van 25 lb., alsook de dienst van de kapel van Sint Adriaan, insgelijks bediend door pastoor Voghel tegen 36 lb. per jaar.

Dit alles toont aan dat de meeste priesters, zowel de pastoors als de kapelanen, niet iedere dag de mis celebreerden.

De stad Damme, die toen zeker niet meer dan duizend zielen telde, had in totaal 26 priesters (of één priester voor 40 inwoners) in bediening, waarvan de overgrote meerderheid niets te zien had met de parochiale zielzorg en betaald werd door oude stichtingen, die dagtekenden uit de tijd van de grote welstand van de stad als voorhaven van Brugge.

Buiten de twee parochiekerken bezat Damme nog enkele kerkelijke instellingen: het Sint-Janshospitaal, waar toen, zoals te Brugge, nog Broeders en Zusters de dienst verzekerden, aangezien als ontvanger Broeder Jacobus Aleyn vermeld wordt. In het Brugse Sint-Janshospitaal zijn de Broeders verdwenen in het begin van de XVIIe eeuw, en bleven alleen de Zusters over. Daarenboven bezat Damme nog een Begijnhof, een kapel van Sint Niklaas, ene van Sint Joris en een Leprozenhuis.

In de parochiekerk van DUDZELE, toegewijd aan Sint-Pieters-Banden, werden de twee pastoors benoemd door het kapittel van St.-Donaas te Brugge. Deze pastoors, magister Johannes Vos en Johannes Mugonel, hadden samen een inkomen van 120 lb. Beide pastoors waren ontslagen van residentie door de vicarissen generaal van het bisdom Doornik.

De kerk van Dudzele telde zeven kapelanijen:

  1. deze van het Kasteel met drie missen (9 lb. of 33 lb.);
  2. deze van de Gelovige Zielen (10 lb. of 25 lb)
  3. deze van Sint Bernardus (15 lb. 12 sch. of 39 lb.);
  4. deze van O.-L.-Vrouw (19 lb. of 42 lb.);
  5. deze van Sint Pieter (6 lb. of 11 lb.);
  6. een tweede kapelanij van het Kasteel (26 lb. 8 sch.);
  7. deze van de Heilige Eutropia (10 lb. of 20 lb. 4 sch.).

Er is geen spoor van een kapelanij of een eredienst van de H. Leonardus. Daarenboven bestond aldaar de eeuwige stichting voor de heer van Dudzele, met een dagelijkse mis (60 lb.). De kosterij was toegewezen aan magister Egidius de Beversluus, die aldaar niet resideerde en 13 lb. per jaar opstreek.

De kerk van HEIST of Coudekerke was toegewijd aan de H. Antonius. De pastoor aldaar werd benoemd door de abt van St. Bertinus te Sint-Omaars.

Pastoor was Matheus Maleghier met een inkomen van 25 lb. De kosterij en de scholasterij werden bediend door Johannes Beelsone (7 lb. 4 sch.), die aldaar ook de dienst van O.-L.-Vrouw bediende mits 80 lb. per jaar.

De kerk van HOEKE was toegewijd aan St. Jacob de Meerdere. De pastoor werd benoemd door de abt van Saint-Quentin. In 1455 was het Johannes Everhardi (20 lb.). De enige kapelanij had een inkomen van 14 lb. De kosterij had geen vast inkomen, alleen wat de mensen wilden betalen.

De kerk van KNOKKE was toegewijd aan de H. Margareta. De pastoor werd er benoemd door de abt van St. Bertijns te St.Omaars. In het begin van het jaar was er geen titularis , later was het Balduinus de Veteriporta (22 lb.) en alhoewel de kosterij een vast inkomen had van 9 lb., was er geen titularis.

De kerk van KOOLKERKE was toegewijd aan St. Niklaas. De pastoor werd er benoemd door de proost van O.-L.-Vrouwkerk te Brugge. De titularis was Johannes Plouvier (20 lb.), die door de vicarissen generaal van Doornik ontslagen was van de residentieplicht. Er bestond aldaar één kapelanij, van O.L.Vrouw, met één mis in de week (6 lb. of 12 lb.); de kapelaan bediende ook de kosterij (24 sch. of 3 lb.16 sch.). Daarnevens bestonden twee niet vaste diensten van O.-L.-Vrouw en van St-Livinus, met een dagelijkse mis en een vast inkomen van 7 lb., het overige werd betaald door de twee confreriën uit hun "beurzen" ofte offerschalen.

In de middeleeuwen was de kerk van LISSEWEGE een befaamd bedevaartsoord. Zij was toegewijd aan O.-L.-Vrouw-Visitatie en de drie pastoors (zoveel als in de grote Brugse parochies O.-L.-Vrouw en St-Salvator) werden benoemd door de abt van St-Bertinus. Hun gezamenlijk inkomen was 89 lb. De drie titularissen waren magister Georgius Sayere, Petrus Theodorici en Philippus Secleer. De kerk bezat een kapelanij van St. Niklaas (12 lb. of 18 lb.) en een kosterij (16 lb.).

Te MUDE was de kerk toegewijd aan de Heilige Anna. De pastoor werd benoemd door de abt van St.-Bertinus. Pastoor Georgius Man (63 lb.), die echter van de residentieplicht ontslagen was door de vicarissen generaal van Doornik. De kapelanij van O.-L.-Vrouw was belast met zes missen in de week (62 lb. 14 sch.) Er was ook een kosterij (18 lb. of 24 lb.).

De kerk van OOSTKERKE was toegewijd aan Sint Quintinus, en de twee pastoors werden benoemd door de abt van St-Quentin. Samen haddden zij een inkomen van 100 lb. Het waren magister Adrianus Eligii en Johannes Russins, die beiden ontslagen waren van residentieplicht door de vicarissen generaal van Doornik.

De kerk telde vier kapelanijen:

  1. van Boneem (45 lb.);
  2. van het H. Kruis, met één mis in de week (8 lb. of 16 lb.);
  3. van Hutenhemme, met één mis in de week (7 lb. of 15 lb.), de kapelaan Anthonius Estornel was van de residentieplicht ontslagen ingevolge een voorrecht van de universiteit te Parijs;
  4. van Lembeke, één mis; er was geen bedienaar omdat een proces aanhangig was over de inkomsten van de kapelanij (11 lb.).

Daarenboven waren nog twee niet vaste diensten:

  1. van de confrerie van O.-L.-Vrouw van de Vissers, met drie missen (34 lb. 16 sch.); en
  2. van de confrerie van O.-L.-Vrouw van Eienbroek, met twee missen (22 lb.), die bediend werd door de kapelaan van het H. Kruis (2° kapelanij), Cornelius Wulfardi. De kosterij bracht, bij afwezigheid van de titularis 12 lb. op.

Te RAMSKAPELLE was de kerk toegewijd aan de H. Vincentius. De pastoor aldaar werd benoemd door het kapittel van St-Donaas te Brugge. Het was magister Nicolaus Lauwaert (24 lb.), ontslagen van de residentieplicht door de vicarissen generaal van Doornik. Hij verbleef te Kaprijke, waar hij belast was met een eeuwige dienst van twee missen aan het altaar van St. Jan (12 lb.). De koster, Lambertus in Sancto Donatiano, die waarschijnlijk te Brugge verbleef bij het kapittel van St-Donaas, ontving bij afwezigheid 34 sch.

De kerk van WESTKAPELLE was toegewijd aan Sint Niklaas. De pastoor werd benoemd door de abt van St-Quentin. De titularis, magister Adrianus de Hee (40 lb.), was ontslagen van de residentieplicht door de vicarissen generaal van Doornik. Hij verbleef te Damme als kapelaan van O.-L.-Vrouw der Vissers (22 lb.) en hij was ook niet aanwezige koster te St-Kruis (66 lb.). De kerk telde twee kapelanijen: 1° deze van O.-L.-Vrouw (15 lb.) en 2° deze van St-Niklaas (6 lb. of 13 lb.). De kosterij had geen vast inkomen.

Voor de dekenij van Aardenburg hebben we slechts zeer onvolledige gegevens.

Te LAPSCHEURE was de kerk toegewijd aan de H. Drievuldigheid en de pastoor werd er benoemd door de abt van St-Quentin. Pastoor was magister Johannes Clerici, ontslagen van residentie door een bisschoppelijk voorrecht. Er was ook een kapelanij.

De kerk van MOERKERKE was toegewijd aan de H. Dyonisius; ook hier word de pastoor benoemd door de abt van Saint-Quentin. De naam van de Pastoor is niet vermeld; en er bestond ook een kapelanij in de kerk.

Dit groot aantal geestelijken op verscheidene parochiën, verdween met de geuzentijd (1572-1584) en tengevolge van de beslissingen van het Concilie van Trente (1545-1563), dat de residentieplicht invoerde. Daardoor konden de geestelijken slechts één enkel ambt bekleden (3).

2. De Toestand in 1628

In 1559 had de Spaanse koning Filips II een nieuwe kerkelijke indeling laten doorvoeren in onze gewesten. Uit het oude Bisdom Doornik werden drie nieuwe bisdommen gevormd: Brugge, Doornik en Gent. Uit het oude bisdom Terwaan, dat grensde tot aan de IJzer, en waarvan de grens verder liep ten oosten van Ieper, werd o.m. het bisdom Ieper gevormd.

Onze streek behoorde toen tot het nieuwe bisdom Brugge, dat lag tussen IJzer en Schelde, en ten zuiden begrensd was door de lijn Beerst, Zarren, West-Rozebeke, Oekene, Kachtem, Pittem, Wingene, Oedelem, Maldegem, Eeklo, Lembeke, Watervliet en Biervliet. Al deze grensplaatsen behoorden tot het nieuwe bisdom Brugge.

In 1628 zond de bisschop van Brugge, Dyonisius Christophori een verslag over de toestand van zijn bisdom aan Paus Urbanus VIII. Het was 42 jaar geleden dat de stad Brugge teruggekeerd was onder het gezag van de Koning van Spanje, nadat zij van 1578 tot 1584 door de Calvinisten was bezet geweest.

Ondertussen duurde de Tachtigjarige Oorlog voort tussen de opstandige provinciën van Noord-Nederland en de Koning van Spanje. Van 1609 tot 1621 had het Twaalfjarig Bestand de strijd onderbroken. Het huidige Zeeuws-Vlaaanderen was vast in de handen van de Noordnederlanders, en een groot deel van dit gebied stond onder water. Veel dorpen waren volledig verdwenen of slechts weinig bevolkt.

Over het gebied van onze Kring vinden wij in het verslag van de bisschop van Brugge enkele gegevens uit de dekenijen Damme en Aardenburg.

Damme zelf was nu een vesting geworden met een militair goevernement, dat de grensversterkingen onder zijn bevel had. De nog overblijvende burgerbevolking was weinig talrijk. Waar de kerk van Damme vroeger twee pastoors had en elf kapelanen, telde zij nu één enkele pastoor, een kapelaan-huurling, die door de afwezige titularis was aangesteld, alsook een koster.

Geen enkele van de elf kapelanen woonde nog te Damme. De opbrengsten van hun stichtingen waren onvoldoende geworden of brachten niets meer op; en het leven was er zeer duur. De stad telde nog 185 communicanten (inwoners van boven de elf jaar), wat ten hoogste een bevolking gaf van 350 zielen.

Het Sint-Janshospitaal, dat alleen diende voor arme reizigers en niet voor zieken, werd bediend door vijf Zusters; maar de kapel van het hospitaal werd uitsluitend gebruikt door het garnizoen. De arme reizigers, die in het hospitaal te Damme werden opgenomen, ontvingen in de zomer, van Pasen tot Allerheiligen, slechts slaping; in de winter echter, van Allerheiligen tot Pasen, ontvingen ze daarenboven nog brood en potagie (4).

Buiten de versterkte stad Damme, bevatte de dekenij Damme nog twee niet omwalde steden: Blankenberge en Hoeke, die ook in volle verval waren. Blankenberge telde nog slechts 64 communicanten en Hoeke 71. Ieder van deze beide plaatsen had nog zijn eigen pastoor en koster.

De dekenij Damme telde daarenboven nog 18 dorpen, die allen hun eigen kerk hadden en hun eigen pastoor, uitgenomen drie die geen eigen pastoor meer hadden.

Een daarvan was Knokke, waar de inwoners weinig talrijk waren en waar de kerkelijke inkomsten te klein waren, zodat twee naburige pastoors beurtelings iedere zondag of feestdag er de mis kwamen celebreren. Op deze zondag mochten zij dan twee missen celebreren.

De twee andere parochies zonder pastoor liggen buiten ons gebied:

Wenduine, dat bediend werd door de pastoor van Blankenberge, die om de week in een van de twee kerken celebreerde; en St-Jan-op-de-Dijk, dat bij Uitkerke werd gevoegd. De dekenij Damme met haar drie steden en 18 dorpen, telde in het geheel nog 5.500 communicanten.

De dekenij Aardenburg was voor het grootste deel in handen van de Noord-nederlanders. Deze bezetten Aardenburg sedert 23 jaar. De twee kerken aldaar waren in de handen van de protestanten. Het katholicisme was er volledig verdwenen. De stad Middelburg, die aan Aardenburg paalde, was voor het grootste deel vernield en de kerk was er in slechte staat. De helft van het stadsgebied lag onder het beheer van de protestanten. Daar woonden nog enkele katholieken, die naar Middelburg ter kerk kwamen. Hier was nog een pastoor en een koster aanwezig. Buiten deze twee steden telde de dekenij nog 16 parochies. Eén ervan, St.-Kruis bij Aardenburg, was nu in Noordnederlands bezit, en was de zetel van de doopsgezinden.

Nog vier andere parochies waren volledig vernield, overstroomd en ontvolkt: Ste-Katerine (tussen Aardenburg en Heile), Ste-Magriete, St-Niklaas (onder Waterland-Oudeman) en St-Jan-in-Eremo.

Ook Lapscheure had veel geleden van de overstroming. Er bleven aldaar nog 8 of 9 huisgezinnen. De kerk was volledig vernield en de inwoners bezochten nu de kerk van Moerkerke. Geheel de dekenij Aardenburg telde nog 6.500 communicanten.

De dekenij Sluis, met Mude, Oostburg, Ijzendijke en Biervliet, was sedert 1604 volledig bezet door de Noordnederlanders. De katholieke eredienst was er totaal verdwenen (5).

3. De Toestand in 1815

In 1794 werden onze gewesten voor de tweede maal bezet door de troepen van de Franse Republiek, en ze werden in 1795 officieel bij Frankrijk ingelijfd.

In 1797 werd de openbare uitoefening van de katholieke godsdienst bij ons verboden. De priesters moesten een eed van trouw aan de republiek afleggen. De overgrote meerderheid weigerde deze eed en dook onder om te ontsnappen aan de Franse politie. Zij bedienden de H. Sacramenten in de duik maar in de kerken die geopend bleven, gingen de kerkelijke diensten door zonder priester. Toch kon de politie talrijke priesters aanhouden, die verbannen werden naar de eilanden Rhé en Oléron op de Franse westkust of naar Frans Guyana in Midden-Amerika. Onder deze laatsten bevond zich de pastoor van Westkapelle, Jacobus De Neve, die in Frans Guyana overleed.

Deze "Beloken Tijd" duurde tot aan het Concordaat van 15 juli 1801, dat gesloten werd tussen de eerste consul Napoleon Bonaparte en Paus Pius VII. Het trad in werking op Sinksen (6 juni) 1802. Al de oude bisdommen werden afgeschaft en de nieuw gevormde Franse departementen van de Leie (West-Vlaanderen) en van de Schelde (Oost-Vlaanderen) kwamen onder het gezag van het nieuwe bisdom Gent.

Na het Concordaat kende de Kerk in ons land nog talrijke moeilijkheden, onder meer voor het vormen van nieuwe geestelijken, die slechts met goedkeuring van de regering mochten opgenomen worden in de seminaries, omdat zij daardoor ontslagen waren van de soldatendienst.

In 1811 was de bisschop van Gent, Mgr. de Broglie, afgezet en in Frankrijk opgesloten. In 1813 zond Napoleon een nieuwe bisschop naar Gent, Mgr. de la Brue, die de pauselijke aanstelling niet ontvangen had. Deze werd door de geestelijkheid niet erkend. De Gentse seminaristen verlieten het seminarie en keerden naar huis terug. Aanstonds werden zij opgeroepen voor de militaire dienst, en velen onder hen stierven van ziekte in de vesting Wezel op de Rijn, waar zij dienden als kanonniers.

Na de val van het Franse Keizerrijk in 1814, was er een nijpend tekort aan priesters, en talrijke leden van de door de Fransen afgeschafte kloosters, moesten ook belast worden met parochiale bedieningen waartoe zij niet waren opgeleid en waarvoor zij soms niet pasten.

In 1815, nadat Mgr. de Broglie te Gent was teruggekeerd, belaste hij de deken van het district Brugge een onderzoek in te stellen over de kerkelijke toestand in zijn dekenij. Daarin staan talrijke gegevens over de parochiën van ons gebied.

In de inleiding van zijn verslag schrijft deken J. A. Buydens, pastoor van de Brugse O.-L.-Vrouwkerk, dat na het Concordaat, vooral in het Noorden van Brugge, veel geestelijken benoemd werden, waaronder talrijke gewezen kloosterlingen, die niet al te best pasten voor het parochiewerk. Daardoor was in het Noorden het naderen tot de Sacramenten achteruitgegaan. Veel kerken, waarvan de inboedel was verkocht door de Franse Republiek, hadden nog veel tekort.

“Ten gevolge van de Franse overheersing, waren in de steden veel verdachte huizen aanwezig, waartegen de wereldlijke overheid zou moeten optreden. Op de buiten zouden moeten geestelijke dochters gezonden worden om er scholen te openen. Er zou ook moeten omgezien worden naar middelen om de onvoldoende inkomsten van de parochies aan te vullen. De wettelijk ingerichte kerkfabrieken lieten soms te wensen over, vooral in de steden, waar, ten gevolge van de geest van de tijd, hun leden wilden de baas spelen over de geestelijkheid”.

De deken, waarschijnlijk op bevel van de bisschop, nam ook inlichtingen over de plaatselijke schuttersgilden van St. Sebastiaan, die regelmatig feesten gaven waarop werd gedanst, en dit zou moeten achterwege blijven.

Wij beginnen met DAMME, waar het armbestuur over 4.000 Fr inkomen beschikte, en zekere kerkelijke diensten niet doet celebreren, alhoewel deze bezet zijn op giften vroeger geschonken aan het armbestuur. Damme bezit ook een hospitaal, waar de zusters op voorbeeldige wijze de arme zieken verzorgen. Op de parochie zijn drie of vier parochianen die hun paasplicht niet vervullen. Een ervan leeft in het openbaar met een bijzit.

De uitgaven van de kerkfabriek overtreffen de inkomsten met 67 Fr.

DUDZELE bezit een goede pastoor. Aldaar bestaat een St-Sebastiaansgilde, die ieder jaar op haar feest een mis laat celebreren, waar sommige leden niet aanwezig zijn. Daarna is er een eetmaal met dans, maar zonder buitensporigheden.

Vloeken en godslasteringen zijn zeldzaam op de parochie; er is ook weinig dronkenschap, die de grote plaag is in de parochies van het Noorden. Vuile praat en onzedigheid zijn veel verminderd sedert de aankomst van de huidige pastoor. Maar ieder jaar worden aldaar nog twee onwettige kinderen geboren. Er is echter een publiek schandaal: een oom die leeft met zijn nicht; ze zijn burgerlijk gehuwd, maar de dispensatie, die zij sedert maanden vragen in het bisdom Gent, komt niet af. De kerkrekening is in orde.

Te HEIST wordt er te veel gedronken, met als gevolg: vechtpartijen, godslasteringen en vloeken. De pastoor heeft beloofd al zijn krachten in te spannen om een einde te stellen aan deze misbruiken, eigen aan de kuststreek.

Gemiddeld worden er ieder jaar twee onwettige kinderen gedoopt. De kerkrekening werd niet opgemaakt, niettegenstaande herhaalde vermaningen.

Te KNOKKE is de kerk en de sacristie arm. Het is te hopen dat de huidige pastoor daarvoor een oplossing zal vinden. De maire (burgemeester) Dhondt is slecht gezien. Tegen hem werd een klacht ingediend wegens geldafpersing. Hij weigert de rekening van de kerkfabriek voor te leggen, waartoe hij gerechtelijk zal gedwongen worden. Het is te hopen dat, met de hervorming van de plaatselijke besturen, hij zal afgezet worden.

Te KOOLKERKE is de kerk arm. Zij was vroeger nog armer. De pastoor is de pater capucijn Julianus Delcambe, een oud en ziekelijk man, die niet te best geschikt is voor dit ambt.

In de parochie LAPSCHEURE is de lucht guur, zodat de pastoors aldaar voor tijd sterven. De huidige pastoor, pater De Meester van de Minderbroeders, kan goed deze lucht verdragen. Hij was eerst in dienst te Lissewege, daarna te Westkapelle, zodat hij gewoon is aan het gure klimaat van de Polders. Hij heeft vroeger beloofd zich te beteren, nadat hij, wegens overmatig drinken, te Ursel was afgesteld. Nadat hij zich te Brugge niet gebeterd had, werd hij in juli 1814 te Lapscheure benoemd. De omliggende pastoors van Westkapelle, Middelburg en Aardenburg hadden beloofd een oog in het zeil te houden op zijn gedrag. Enkele tijd onthield hij zich van de drank, maar de deken ontving een briefje waarbij men liet weten dat de pastoor dronken op straat liep. Tot straf moest hij een retraite volgen te Roeselare. Sedertdien heeft een van de pastoors uit het gebuurte ondervonden dat hij ‘s morgens brandewijn drinkt, en ‘s namiddags bier, zodat hij weldra dronken is. Daardoor kan hij zijn dienst niet naar behoren vervullen. Bij ondervraging wisten de maire en de koster niets tegen de pastoor in te brengen. De kerk en de sacristie zijn in goede staat, en er werd beloofd de kerkrekening op te sturen.

Te LISSEWEGE zullen talrijke schuldenaars van de kerkfabriek moeten verplicht worden hun schulden te betalen. De kerkfabriek aldaar heeft een jaarlijks inkomen van 1.200 Fr. De inkomsten overtreffen de uitgaven met 572Fr.

Er bestaat ook een St-Sebastiaansgilde, die tweemaal in het jaar een mis laat celebreren; waarna mannen en vrouwen bijeenkomen en tot slot dansen. Maar er bestaat geen aanleiding tot klachten. De pastoor acht het eerder gevaarlijk deze bijeenkomsten te verbieden, maar hij doet alles wat in zijn macht is, om zijn parochie goed te houden.

MOERKERKE bezit een mooie kerk, die onvoldoende gemeubileerd is, alhoewel aldaar talrijke welgestelde landbouwers wonen. De pastoor, die over voldoende inkomsten beschikt, is daarenboven van rijke familie. Vroeger was de kerk slecht onderhouden; nu is alles beter in orde. Er was geen kerkrekening opgemaakt.

De kerk van OOSTKERKE is prachtig, goed gemeubileerd en met een prachtige vloer. De muren zijn goed gewit, en van onder met olieverf bestreken. Al de kerkelijke vaten zijn goed onderhouden.

De nieuwe koster geeft voldoening en er zijn weinig armen. De inwoners communiceren slechts op de Hoogdagen en op de feestdagen van O.-L.-Vrouw. De pastoor kreeg de raad de godsvrucht op te wekken opdat de inwoners meer tot de sacramenten zouden naderen.

De eerste communicanten zouden ten minste om de maand moeten ondervraagd worden. En eindelijk zouden godvruchtige dochters moeten gevonden worden om de kinderen in de godsdienst te onderwijzen.

De inkomsten van het armbestuur bedragen 100 pond groten of 1269 fr 84 per jaar. En de uitgaven van de kerkfabriek overtreffen de inkomsten met 22 lb 5 sch 3 groten of 284 fr 68. De pastoor is zeer voorzichtig in zijn bestuur en mag de zondag twee missen celebreren.

De kerk en de sacristie van RAMSKAPELLE zijn goed in orde. De inkomsten van de kerkfabriek bedragen 50 lb groten of 634 fr 92. De uitgaven overtreffen de inkomsten met 313 fr 86 centiemen.

Er bestaat een St-Sebastiaansgilde, die jaarlijks een mis laat celebreren; de oudere en de jongere leden komen afzonderlijk bijeen. Er worden dan danspartijen gehouden, die geen reden tot klachten geven. Maar dit misbruik zou toch moeten uitgeroeid worden.

WESTKAPELLE is een moeilijke parochie, met een lastige maire (burgemeester), wiens verplaatsing men verhoopt. De nieuwe pastoor Meeus kwam in oktober laatst uit Knokke, en weet wat er te hervormen valt op de parochie. De publieke opinie beweert dat aldaar allerlei wantoestanden heersen: godslasteringen, vloeken, dronkenschap, gemengde bijeenkomsten en allerlei onzedigheid. Bij de aanstelling van de pastoor was de deken daartegen te keer gegaan van op de kansel, en had de pastoor belast de strijd tegen deze wantoestanden aan te binden. Hij had ook aan de parochianen gevraagd dat iedereen de pastoor daarbij zou helpen. Het zijn vooral de gemengde bijeenkomsten die zouden moeten verdwijnen.

Het goed van de kerkfabriek wordt zorgvuldig beheerd en de kerkrekening sluit met een boni van 1151 fr. (6).

Deze drie dokumenten, uit drie ver uiteenliggende tijdstippen, geven ons een zeker inzicht in de kerkelijke toestanden in het gebied van onze Kring in de loop van vijf eeuwen.

_______________________________________________

Verwijzingen:

  1. J. Toussaert. Le sentiment religieux en Flandre à la fin du moyen-age. Parijs 1960 pp. 563-569.
  2. E. De Gryse. Reis in het Oosten. Eerste deel: Constantinopel - Griekenland -Klein-Azië - Syrië-Phenicië. Ieper 1908 p. 151.
  3. J. Warichez. Etat bénéficial de la Flandre et du Tournaisis au temps de Philippe le Bon (1455). Leuven 1912 pp. 25-39 en 316.
  4. Over "Potagie": zie verder p. 27 in dit nummer.
  5. Rapport adressé au Souverain Pontifex Urbain VIII par Denis Christophori, évêque de Bruges, sur l'état du diocèse en 1628. Analectes pour servir à l'Histoire ecclésiastique de la Belgique. Deel III pp. 66-69.
  6. Visitationes decanales districtûs Brugensis anni 1815. Handschrift van de Deken van Brugge, J. A. Buydens, 14 februari 1816.

00000000000     0000000000     000000000000

Drie dokumenten over vroegere kerkelijke toestanden in ons gebied

Dr. Jos De Smet

Rond de poldertorens
1966
01
001-014
Achiel Calus
2023-06-19 14:38:19