Het leven te Damme en omgeving onder de tachtigjarige oorlog (volgens de Schepenregisters)

Dr. Jos De Smet

I. - De Gebeurtenissen in onze streek van 1566 tot 1600

Het Protestantisme is begonnen in 1517, wanneer Luther openlijk in oppositie kwam met de Paus, en diepgaande hervormingen vroeg in de katholieke Kerk.

Deze nieuwe geloofsleer kwam ook over naar onze gewesten, waar zij, vooral in de tweede helft van de zestiende eeuw, een grote beroering veroorzaakte.

Vanaf 1531 waren eerst de Lutheranen, en later de Calvinisten, zeer aktief in het Brugse.

In 1566 brak de Beeldenstorm uit in Frans Vlaanderen en verspreidde zich over geheel de Nederlanden. Te Brugge had men de beelden, schilderijen en schatten van de kerken op tijd in veiligheid gebracht.

Hierop volgde in geheel de Nederlanden een strenge repressie vanwege de Spaanse Landvoogd, de hertog van Alva. Waarop het verzet overal het hoofd opstak, waarvan de prins van Oranje de leiding nam. In 1572 braken onlusten uit in Holland en Zeeland.

Alva werd naar Spanje teruggeroepen en de Staten Generaal van de toen-malige Nederlandse gewesten namen het bestuur van het land in handen. Op 8 november 1576 sloten de Zeventien Provinciën van de Nederlanden een Unie tegen onze wettige koning Filips II van Spanje; en sloten de Pacificatie van Gent om overal in de Unie de godsdienstvrede te herstellen. Deze poging mislukte wanneer te Gent een calvinistische republiek werd gesticht, die gans Vlaanderen wilde veroveren. In februari 1578 bezette de Prins van Oranje Sluis en zond hij het Brugse garnizoen naar huis. Op 19 maart 1578 konden de Gentse calvinisten Brugge bezetten; en enkele dagen later werden ze meester te Damme.

De katholieke soldaten, bijgenaamd Malkontenten, Walen of Paternoster-dragers, zetten het tegenoffensief in. Zij plunderden het platteland, voerden het vee mede, evenals de inwoners, die slechts tegen losprijs werden vrijgelaten. Nu werd de buiten hoe langer hoe meer verlaten en de land-lieden vluchtten binnen de besloten steden.

Op 24 mei 1584 keerde Brugge terug onder de gehoorzaamheid van de koning van Spanje, en enige dagen daarna ook Damme. Sluis bleef echter door de calvinisten bezet tot 4 augustus 1587, wanneer de stad door Spaanse troepen werd ingenomen. Maar Oostende bleef in het bezit van de Noordnederlanders tot 20 september 1604. Twee maanden vroeger, op 16 augustus 1604, hadden deze laatsten Sluis heroverd, dat nu voor goed in Noordnederlands bezit overging.

Op 9 april 1609 werd te Antwerpen voor twaalf jaar, een wapenbestand gesloten tussen de opstandige Noordnederlandse Provinciën en de Aartshertogen Albrecht en Isabella. Maar de oorlog hernam in 1621 en zou nog duren tot aan de vrede, gesloten te Munster in Westfalen, op 30 januari 1648. Daarmee kwam een einde aan de Tachtigjarige Oorlog.

Al deze gebeurtenissen hadden zeer pijnlijke gevolgen voor de bevolking van het noordoosten van Brugge. En in de oudst bewaarde schepenregisters van Damme vinden we daarvan talrijke sporen. Deze registers bevatten akten van verkoop , pacht en andere, zoals deze op onze dagen verleden worden vóór de notarissen. Zij geven slechts weinig inlichtingen over de krijgs-verrichtingen, maar ze tonen vooral de weerslag van deze beroerde tijden op het leven van de inwoners van Damme.

Het eerste register loopt over de jaren 1567-1577, dus vanaf de beelden-storm tot het jaar vóór de bezetting van Damme door de calvinisten. Het register uit de jaren 1578-l584, dus de tijd van de calvinistische bezetting, is niet bewaard gebleven. Maar de volgende twee registers lopen over de jaren 1585-1591 en 1591-1611, dus vanaf de bevrijding van de stad tot twee jaar na het sluiten van het Twaalfjarig Bestand.

II.  - Van de Beeldenstorm tot aan de bezetting door de Calvinisten

Het Zwin was bijna volledig verzand tussen Damme en Sluis, en daarom werd in 1550, nevens de zeearm, een nieuwe vaart gegraven, die te Sluis in de monding van de zeearm uitliep door een grote zeesluis, die getekend staat op het plan van Brugge door Marcus Gerards uit het jaar 1562.

Brugge wilde ook aangesloten worden aan de nieuwe waterweg Damme-Sluis, maar om reden van zekere moeilijkheden met de militaire gouverneur van Damme, werd de Reie tussen Brugge en Damme niet gekanaliseerd. In 1564 liet Brugge een nieuwe vaart graven over Koolkerke, Pereboom, naar Bekaf te Monnikerede. Hier werd de vaart van 1550 in de richting van Damme afgesloten door een dijk. Om van Damme naar Sluis te varen moest men nu eerst over Brugge, Koolkerke en Bekaf. De nieuwe Sluise vaart, tussen Brugge en Bekaf, was voltooid in 1567, en bracht een gevoelige slag aan wat er nog aan scheepvaart overbleef te Damme (zie de kaart van Ferraris in ons vorig nummer blz 33).

1.    De Scheepswerf te Damme

Damme bezat nog een grote scheepstimmerwerf, namelijk deze van Ywein Claeys. De afsluiting van de rechtstreekse waterverbinding met Sluis bracht hem in financiële moeilijkheden, en in het najaar van 1570 moest hij de grote som van 99 lb.gr. [= 99 ponden groten] op hypotheek ontlenen. Daarvoor gaf hij o.m. zijn scheepswerf als borg. Hij had zes schepen in aanbouw: een platboomde pleitschip en nog een ander pleitschip, die voor zijn rekening werden gebouwd, en die buiten de Persellepoort lagen, bij de nieuwe vaart van 1550. Daarbij kwam nog een kleine buize of visboot, die op stapel lag op de hof van scheepstimmerman Roose, alwaar nog drie koggen, ook met platte bodem, op stapel lagen.

Verder gaf Claeys nog zijn ganse houtvoorraad als waarborg, namelijk het hout en de bomen die lagen op de opene plaats tussen de Persellepoort en de hof van Roose, evenals de bomen, die hij samen met Roose had aan-gekocht op het leengoed ter Rosières te Koolkerke (in 1900 verdwenen in het Boudewijnkanaal), alsook op het leengoed Rostuine te Sijsele, en ook de bomen hij het klooster van de Jacobijnessen te Assebroek (1).

2.  De Lieve

Maar er werd nog gevaren op de Lieve, het kanaal dat Gent verbond met Damme; want in 1569 pachtte de Damse magistraat van de schepenen van Gent, en dit voor een termijn van achttien jaren, “zeker anwas ofte schorreken ,... streckende tusschen beede de rabatten (sluizen) van de Gentsche Lieve”, met als voorwaarde de kassei te onderhouden, die van de Ste-Katerinepoort liep naar het Gentse hoofd op de Lieve, alsook een andere aanlegpiaats, het “caeshooft”, opdat “den arriverenden schipman daer an mach laden en lossen” (2).

3.  Het Verdwijnen van de Zueghe

Sedert het graven van de nieuwe Sluise vaart over Koolkerke naar Bekaf, was Damme afgesloten van de haven van Sluis. Het vroegere spuidok van het Zwin, de Zueghe, was sedert lange tijd opgeslijkt en buiten gebruik gesteld. Reeds in 1464 begon de Zueghe te verzanden. In het stadhuis van Damme bevindt zich een balksieutel, waarop iemand kijkt in het achterste van een varken (zeug). Dit toneel is een toespeling op het verzanden van de Zueghe. Om bij laag water het zand uit het Zwin weg te spoelen, had. de stad Brugge op 7 maart 1413 de Noordpolder of Zueghe aangekocht, om deze polder bij hoog water te laten vollopen en dit water dan bij ebbe in het Zwin te laten stromen. Het was een van de eerste spuikommen of “bassin de chasse”. Zijn werking wordt als volgt beschreven in de akte “omm in den zelven poldre in de hooghe vloeden, ‘t water van der zee te mueghen schuttene (ophouden) ende daernaer, als de doode stroomen (ebbe) cormnen, weder te laten schietene”. De Zueghe was nu volledig met gras begroeid en de stad Brugge verpachtte de polder “omme vette beesten daeruppe te legghene”. Maar volgens de overeenkomst van 1413 moest Brugge, in geval zij de polder niet meer nodig had voor de bestrijding van de verzanding van het Zwin, de helft ervan teruggeven aan Damme. Op 13 januari 1568 werd de helft van de Zueghe aan Brugge gelaten en zou deze stad daarvoor ieder jaar een rente betalen aan de leprozen van Damme (3).

4.  Verdwenen Nijverheden: Haring en Meekrap

In de middeleeuwen bezat Damme o.m. het monopolie van het zouten van haring. Vandaar de spotnaam “Damse kuipers”, omdat de kuipers de vaten moesten leveren voor de haring. Later werd de spotnaam veranderd in Damse zuipers.

Van deze oude nijverheid vinden wij nog het spoor in de verkoopakten van twee huizen uit de jaren 1567 en 1568. Ieder van deze huizen beschikte over een “haerynck plaetse”, waarvan de ene als volgt beschreven wordt: ”staende rondtsomme eene ghecalseyde plaetse, voormaels gheweest hebbende een haerinckplaetse”. Daar werd de haring bewerkt. Het enige wat te Damme nog herinnert aan deze bloeiende middeleeuwse nijverheid is de Haringmarkt. (4)

Vroeger werden, vooral in het Noord- en Oostvrije, veel meekrappen gezaaid. Deze rode verfplant werd dan gedroogd in een soort ast, de “meestove”. Ook te Damme vond men dergelijke asten. Een ervan werd in 1574 verkocht: ”een viercante partie van lande, ronsomme in zyn mueren, wylent een medestove” (5).

5.  Een nieuw Woonhuis

In het schepenregister staat ook de toelating tot het bouwen van een nieuw huis bij de St-Jacobsbrug; en daarbij ook de overeenkomst gesloten tussen de eigenares van het huis en de metselaar, die het werk moest uitvoeren. De schepenen bepaalden hoe het huis moest gebouwd worden: 12 meter lang, 9,75 m breed en 3,84 m hoog, met drie trapgevels. Het moest bestaan uit een woonplaats, een kamer, een keuken, alsook een kelder en een zolder. De te gebruiken stenen en het houtwerk worden duidelijk omschre-ven, evenals de vensters en de draaitrap. Daarbij kwamen nog een schuur van 13,60 m lang en 9,20 m breed, met een stal voor 6 of 8 koeien. -1567-1569- (6)

6.  Engelse Nonnen te Damme

Wij vinden ook een spoor van godsdienstberoerten in Engeland, waar de kloosters uitgedreven werden. Op 17 oktober 1568 sloot de priorin van het klooster van Dertfort in Engeland, een pachtkontrakt voor 6 of 9 jaar, om te Damme een ledigstaande huis te bewonen met haar medezusters. De eigenares zou de nodige herstellingen laten uitvoeren, maar daarna moesten de religieuzen zelf zorgen voor het dak, de deuren en de vensters. Zij moesten ook de boomgaard in stand houden en nog gedurende drie jaar een plantage van jonge boompjes onderhouden in de voorhof (7).

7.  De nieuwe Boomgaard van de Pastoor

In 1574 nam pastoor Boudewijn Paeldinck van de O.L.Vrouwkerk te Damme een nieuwe tuin in pacht van het St-Janshospitaal aldaar, voor de duur van zijn leven. De jaarlijkse pachtsom bedroeg 1 lb.gr. [= 1 pond groten] vanaf Kerstavond 1574. In de akte wordt het hospitaal vertegenwoordigd door mevrouwe, jonkvrouw Clara Jacobs, en door de ontvanger, broeder Jacob de Meyere, priester.

De pastoor moest geheel de hof beplanten met goede “gheïnte” fruitbomen, namelijk een perelaar tussen twee appelaars, met een afstand van 28 voet of 7,68 m tussen elke twee bomen. De fruitbomen die verdroogden moesten ieder vervangen worden door een fruitboom van dezelfde oude. Bij het overlijden van pastoor Paeldinck zullen deze bomen, alsook de hagen en de “thuuneecken” of eiken struiken, de eigendom worden van het hospitaal. Daarenboven moet de pastoor op eigen kosten de muren van de hof onderhouden, ten ware "generalen paeis wesen sal binnen den lande van errewaerts overe", dus tenzij de vrede gesloten wordt in de Nederlanden, dan mag hij de kosten van onderhoud van de muren in rekening brengen aan het hospitaal. Ook mag de pastoor deze hof aan niemand overlaten of verpachten (8).

III. Na de Bevrijding, van 1584 en tot 1591

Het tweede schepenregister loopt van 1585 tot 1591. Het begint dus enkele maanden na de terugkeer van Damme onder het gezag van de koning van Spanje, nadat de stad van 1578 tot 1584 onder het bewind van de calvinisten was gebleven.

1. Financiële moeilijkheden van de Magistraat en van de Kerkfabriek

Het eerste wat opvalt in het register is de nijpende geldnood van de magistraat, die voor de kleinste uitgaven geld moest lenen onder waarborg. Damme telde toen misschien nog een 500 verarmde inwoners.

Op 10 juli 1586 geeft de magistraat een publieke akte, waarbij verklaard wordt dat de stad 100 lb.gr. [= ponden groten] moest lenen om reden dat “duer d’injurie vanden tyt (de slechte tijd), faulte van neeringhen, ‘t sobre tractaet van coopmanschepe alhier regnerende (door de teleurgang van nijverheid en handel), ende extraordinaire costen vanden zwaren garnisoene omme de voornoemde stede t’onderhouden” (de zware kosten van een talrijk garnizoen dat de stad moest beschermen, want Sluis was nog altijd in de handen van de Noordnederlanders). Daarom hebben negen poorters van Damme zich borg gesteld met hun persoon en hun goederen voor de terug-betaling van de ontleende som aan de geldschieter Petro de Valencia, waarschijnlijk een hogere Spaanse officier. Daarenboven gaf het stads-bestuur als waarborg al de bezittingen van de stad, alsook de persoonlijke bezittingen van de schepenen (9).

De magistraat had ook voor 38 lb. 8 sch.gr. kaarsen laten aankopen bij de Brugse kaarsengieter Jan van Nokerhout. Vier poorters stelden zich borg voor de betaling van deze som. De kaarsen moesten dienen voor het verlichten van het wachtlokaal op het stadhuis en van de andere wacht-huizen van de militairen (10).

Met de toelating van de Spaanse landvoogd te Brussel verkoopt de magistraat aan de St-Sebastiaansgilde een rente van 12 sch[ellingen] 4 gr. per jaar, als betaling van een som van 9 lb. 16 sch. 4 gr. voor bomen aan de gilde gekocht ten dienste van de militairen. De plaatselijke besturen, waar militairen lagen, waren verplicht aan dezen onvergeld de nodige verwarming en verlichting te bezorgen (11).

In augustus 1586 staat de stad sedert anderhalf jaar 25 lb.gr. schuldig aan de vroegere burgemeester Charles Heyndricx voor het kopen, ten dienste van de militairen, van 12 1/2 hoed of 21,5 hectoliter haver (12).

Schepen Boudewijn de Locre leent op 27 november 1589, en dit met de toestemming van het hoge landbestuur, 150 gulden aan de stad, die ze zal terugbetalen bij de vernieuwing van de magistraat in 1590. Als waarborg worden al de inkomsten en eigendommen van de stad in pand gegeven (13).

De uittredende thesaurier van Damme, Charles Heyndricx, had voor de stad 47 lb. 11 sch. 8 gr. meer uitgegeven dan ontvangen. In januari 1590 worden al de stadseigendommen als waarborg gegeven voor de terugbetaling van deze som(14).

In de Raad van Vlaanderen, het hoogste gerechtshof van het graafschap, was in juni 1590 een proces aanhangig tussen de magistraat van Damme en Adriaen Nyssens, wegens een stedelijke schuld van 25 lb.gr. Om een einde te stellen aan het proces werd overeengekomen dat de stad aan Nyssens twee renten zal geven van 6 lb. 5 sch.gr. per jaar gedurende twee jaren en daarna de schuld zal terugbetalen (15).

Maar het was niet alleen de stad die over onvoldoende inkomsten beschikte. Ook de kerkfabriek te Damme was in hetzelfde geval. Zij had 30 lb.gr. ontleend, die gebruikt werden voor “behoorlicke reparatiën ende andere nootzakelickheden der voorseyde kercke”, want de kerk had veel geleden ten tijde van de calvinisten. De kerkmeesters beloofden deze som terug te betalen en gaven als borg de goederen van de kerk, en in het bijzonder vijf gemeten twee lijnen en 25 roeden te Oostkerke, die de schuldeiser Pauwels van Vlaenderen mocht verkopen bij rechtsmacht, wanneer de betaling uitbieef (16). De dochter van Pauwels van Vlaenderen, Katelijne, had aan de kerkfabriek nog 18 lb.gr. geleend voor dezelfde herstellingswerken. Ook zij kreeg dezelfde waarborgen voor de terugbetaling. 19 juni 1586 .(17)

2. Geldnood ook bij de Inwoners

Deze armoede en geldnood komt verder tot uiting in de zware waarborgen die gevraagd werden voor gewone pachtovereenkomsten, waarvan er talrijke in het register voorkomen.

In 1589 geeft Jan Steyaert, als waarborg voor achterstallige pacht aan het hospitaal te Damme, een deel van zijn arme huisraad: een bed met Spaanse deken, vier kussens, twee paar slaaplakens, een ketel, een vrouwenkeurs en een zwart lijveke (18).

Karel Poorteman had in 1586 voor drie jaar een hofstede gepacht tegen honderd gulden per jaar. Voor de betaling van de pachtsom moest hij iemand vinden die ervoor wilde borg staan. De rijke poorter Joos Spruute had dit aangenomen, maar als waarborg eiste hij de 2 merriepaarden van boer Poorteman (19).

Ook voor geldleningen en schulden werden zware waarborgen geëist. Als waarborg voor het beheer van de 51 lb.gr., die behoorden aan het wees-meisje Anthonine van Hecke, moet haar voogd en oom in 1586 geven: 2 melkkoeien, 6 bijenkorven, 2 volledige bedden, 7 tinnen piatelen, 6 tinnen teljoren, een kast voor zilverwerk, een kast voor tinnengoed., 2 tafellakens en 4 paar slaaplakens. Deze meubels mocht hij noch verkopen, noch verpanden gedurende de tijd van de voogdij (20).

In 1589 gaf Omaer Schipman als borg voor een lening van 15 lb.gr. ander half gemet groeiend koolzaad. Indien de vruchten teloorgaan “t zy by ongeluck, quaet gheweerte ofte andersins”, dan geeft hij als waarborg zijn paard, alsook zijn nieuwgebouwde schuur met haar inhoud (21).

Pauwels Aernolts had in november 1590, 70 lb. 18 sch. 4 gr. ontleend aan drie personen. Hij beloofde het geld terug te betalen met Sinksen 1591. Als waarborg gaf hij 18 gemeten polderzaad (22).

Voor een lening van 37 lb. 10 sch.gr. werden in 1591 de 5/8 van het huis De Zonne als waarborg gegeven. Bij niet terugbetaling mocht het huis verkocht worden bij rechtsmacht (23). En enkele maanden later, werd voor een schuld van 18 lb.gr. een huis op de Markt in hypotheek gegeven (24).

Om reden van de grote levensduurte moest de magistraat van Damme in 1587 zorgen voor de ravitaillering van de inwoners. Zij belastte de koopman Joos Spruute met de levering van het nodige graan. Deze had op 26 juni 1587 honderd achtendertig razieren of 238 hectoliter tarwe ontvangen, “die hy ghedistribueert heeft de soldaten, borghers ende inzetenen der voorschreven stede” (25).

3. Verkopingen bij Rechtsmacht

Veel schuldenaars konden niet op tijd betalen, en zo vinden we de volgende publieke verkopingen van huizen bij rechtsmacht. In 1590 een huis langs de Reie, en dit voor een onbetaalde schuld van 16 gr. 16 miten, met een achterstel van 28 sch. 9 gr. 8 miten. Het huis werd aangekocht door het klooster Nazareth op de Garenmarkt te Brugge (26). De ontvanger van de Kruiskapel te Damme ontvangt hetzelfde jaar een huis op de markt, wegens een niet betaalde schuld (27). Een ander huis, St-Sebastiaen, in de Kerkstraat, werd het volgende jaar ook verkocht bij rechtsmacht wegens schulden (28).

4. Blijvende Overstromingen

De toestand in onze streek, waar toen veel gevochten werd rond Sluis, tot aan de herovering van de stad door de Spaanse troepen op 4 augustus 1587, was de oorzaak van de hierboven vermelde armoede. Het land bleef grotendeels overstroomd en de plunderende soldaten van beide partijen richtten er immer meer schade aan, zoals blijkt uit een verklaring afgelegd in 1589 vóór de schepenen van Damme, door twee welgestelde inwoners van de stad. Deze verklaring gebeurde op aanvraag van de gebruikers van landerijen die renten moesten betalen aan de Spijker te Brugge, en die in de onmogelijkheid verkeerden te betalen.

Het grootste deel van de landerijen tussen Damme en Sluis was over-stroomd door zeewater, terwijl de meeste landerijen die lagen rond Damme, te Ste-Katerine en in de Broek, overstroomd waren door zoet water. Want in 1588 waren enkele sluizen van de Sluise-vaart uitgebroken om schepen met troepen van Sluis over te brengen naar Nieuwpoort voor een landing in Zuid-Engeland. Deze landing zou gebeuren in samenwerking met de grote Spaanse krijgsvloot, de Armada, die uit Spanje kwam. Door het uitbreken van de sluizen had de overstroming zich nog verder uitgebreid. Vóór de overgave van Sluis in 1587 waren de huizen en de hofsteden door de Noordnederlandse soldaten geplunderd. Maar na de overgave van Sluis hadden de Spaanse troepen deze huizen volledig afgebroken. Daarenboven nam de overstroming door zeewater nog dagelijks toe (29).

Deze overstroming was katastrofaal geworden in 1583 , wanneer het Noordnederlandse garnizoen van Sluis de Bruungheersdijk, ten zuiden van Sluis had doorgestoken, waardoor het Lapscheurse Gat werd gevormd, dat later doorliep van het zuiden van Sluis tot voorbij Middelburg (30).

Te Lapscheure woonde niemand meer. Ook de verantwoordelijken voor de wateringen van Lapscheure waren gevlucht. Wanneer in 1591 een nieuwe dijkbreuk ontstaan was ten oosten van Platheule, in het gebied van de wateringen van Lapscheure, hadden de sluismeesters van de wateringen van Stampaartshoeke, Zuid-over-de-Lieve en de Broek, met de medewerking van de prior van de Kartuizers te Brugge, deze dijk hersteld. Zij kwamen echter op 5 juni 1591 verklaren voor de schepenen van Damme, dat ze later de kosten van dit werk zouden aanrekenen aan de wateringen van Lapscheure, die de herstelling hadden moeten uitvoeren (31).

De streek had ook veel te lijden gehad ten tijde van het beleg van Sluis in 1587, zoals blijkt uit een latere verklaring uit het jaar 1609. Toen waren al de bomen uit de dreven van het kasteel te Moerkerke afgekapt en naar Damme gevoerd op de Vente, vanwaar zij, de dag vóór het begin van de belegering van Sluis, op elf binnenlanders langs de Lieve gevoerd werden tot bij Leestkensbrug en vandaar met 1200 (?) wagens, aan één boom per wagen, naar Sluis werden overgebracht. Met deze bomen werd de laagte gevuld om er het geschut te kunnen vervoeren voor het beleg. Het waren halfgrote olmenbomen (32).

5.  Overeenkomsten voor het Onderhoud van bepaalde personen

In het schepenregister vinden we nog zekere overeenkomsten voor het onderhoud van personen. Zo werd in 1586 een overeenkomst gesloten tussen Mevrouw van het hospitaal te Damme en de curateur van Cornelis Vintson, poorter te Brugge. Deze laatste was waarschijnlijk niet helemaal normaal, aangezien zijn goed beheerd werd door een wettelijke voogd. Vintson werd opgenomen in het hospitaal, dat beloofde hem “te onderhoudene ende alimenterene, zieck ende ghezont, ende hem te verlenene eten, drincken, vuytgaen, ingaen, plaetse om slaepen, cleederen, reedinghe zo van wullen als lynen, wasschen ende wringhen, ende hem te bezorghene alle zyne behoufte ende durste, eerlick ende tamelick, zo zyne faculteyt betaemd; ende ghelyck de voorseyde vrauwe (van het hospitaal) religieusen ende convent meenen ‘t zelve voor God ende den menschen te verantwoordene”. Daarvoor ontvangen zij al de “catheylen ende mueble goedinghen alreede binnen den Godshuze ghetransporteert”. Men had dus reeds zijn meubels en kleren naar het hospitaal te Damme overgebracht. Daarvoor werd ineens 60 lb gr. betaald, waarbij nog 2 1/2 lb.gr. per jaar kwamen. Deze laatste waren bezet op drie huizen te Brugge, twee in de St-Klarastraat en één op de Vlamingdam (33).

Ook partikulieren zorgden soms voor het onderhoud van vreemden. Laurens van Hecke had gedurende vier maanden Jan van Wervick, laat in Dentergem, onderhouden totdat hij meerderjarig was (25 jaar). Hij had hem “ghealimenteert ende den montcost ghegheven... als broot, visch, blomme ende anders”. Daarenboven had hij hem gekleed : “met een paer nieuwe bocxems”. Dit onderhoud met de klederen werd geschat op een waarde van vijftig gulden. Daarvoor schonk Jan van Wervick aan zijn weldoener een jaarlijkse rente van één lb.gr.[= 1 pond groten], bezet op 18 gemeten land te Beernem, die Jan geërfd had van zijn moeder. -1587- (34)

Andere mensen zorgden er voor dat hun dochter voor de rest van haar dagen een veilig onderkomen zou vinden als lekezuster in het klooster van Betlehem te Damme. Zij beloofden dat, na hun dood, al hun bezittingen op het klooster zouden overgaan. Dit voorstel werd in 1597 aangenomen door de abdis van het klooster, Vrouw Pieternelle van Zevenhove (35).

6.  Overeenkomst met de Veerlieden van Sluis

Op het Zwin bestond sedert de middeleeuwen een veerdienst voor het personenvervoer tussen Sluis en Damme. Na de overgave van de Stad Sluis aan de Spaanse troepen in 1587, hoopten de veerlieden van Sluis dat deze veerdienst opnieuw zou heropleven. Vroeger nam een afgevaardiging van de veerlieden van Sluis jaarlijks deel aan de processie van het H. Kruis te Damme, waar zij op de gemeenschappelijke maaltijd met de schippers van Damme, vijf kannen wijn ten geschenke gaven. Nu wilden de veerlieden uit Sluis deze oude traditie herstellen, die steunde op een vroeger akkoord van 4 juli 1471. Dit akkoord bevatte o.m. de volgende bepalingen; 20 veerboten uit Sluis mochten, buiten de reizigers, ook goederen vervoeren, namelijk wijn, haring en pakken, tot een gewicht van één last, van twee vaten of vier pijpen wijn in elke last (4.000 pond gewicht), voor iedere reis. Daarbij mochten de schippers van Damme te Sluis lossen en laden zoveel zij wilden.

Maar het graven van de nieuwe Sluise vaart over Koolkerke had een einde gesteld aan de rechtstreekse verbindingen te water tussen Sluis en Damme. -1589- (36)

7.  De Reconciliatie van een Protestant

Na de overgave van Sluis in 1587 mochten de uitgeweken protestanten naar de Spaanse Nederlanden terugkeren. Zij werden nu niet meer ter dood veroordeeld en levend verbrand, maar moesten zich verzoenen met de katholieke kerk.

Eén onder hen, Pieter Cornelissen, schoonbroer van burgemeester Jan Spruute uit Damme, kwam bij deze laatste inwonen en verzoende zich met de Kerk. Na vier maanden verblijf te Damme stelde de magistraat in 1589 een attest op, waarbij de pastoor en twee inwoners van de stad verklaarden dat Cornelissen zich met de Kerk had verzoend, dat hij dagelijks de Mis bijwoonde, op de hoogdagen te Kommunie was gegaan, en een onbesproken leven had geleid (37).

8.  Het Testament van Pastoor Paeldinck

In 1587 maakte de pastoor van Damme zijn testament op vóór de schepenen. Boudewijn Paeldinck was toen 68 jaar, en hij verklaarde dat hij nog goed bij zijn verstand was en nog beschikte over zijn vijf zintuigen. Hij verklaarde o.m. "overdinckende dat wy niet zekerder en hebben dan de doot, ende niet onzekerder dan de huere ende wyle van diere”. Hij begeerde begraven te worden binnen het koor van de Kerk te Damme, rechtover de lessenaar. Zijn begrafenis moest geschieden met de hoogste dienst; en daarenboven stichtte hij nog een eeuwig jaargetijde op het feest van de Zoete Naam Jezus (2 Januari), met uitdeling van geld en brood aan dertien armen.

Aan zijn meid Francine Meersman schonk hij een kleerkast, een kast voor het tinnengoed, al het tinnengoed en ijzerwerk, alsook de voorraad graan en brandhout die in het sterfhuis aanwezig waren, en een stuk lijnwaad van 36 ellen of 25 meters. Hij gaf nog schenkingen in geld aan het hospitaal, aan het klooster van St-Agnete, aan het klooster van Sarepta, aan de koster en aan de roedrager. Aan de kerk van Damme schonk hij zijn zilveren kelk. (38).

9.  De Bomen op de Hofsteden

De bomen op de hofsteden werden vroeger veel meer naar waarde geschat dan op onze dagen, waar zij bijna waardeloos geworden zijn. De fruitbomen moesten het fruit leveren en de opgaande bomen het hout voor het timmer-werk. Wanneer deze bomen geveld werden, kwamen de boomzagers ter plaatse om ze te zagen in balken of planken. Het klein hout, alsook het hout van de tronken, werd gebruikt om vuur te maken voor de verwarming, het bereiden van warm voedsel voor mens en dier, en voor het bakken van het brood. Daarenboven werden soms bonden rijshout gelegd in de gaten en putten van de landelijke wegen om het vervoer gemakkelijker te maken.

Bij de verkoop in 1585 van een huis met schuren en stallingen, gelegen op de noordzijde van de Korenmarkt te Damme, worden 101 bomen vermeld die bij deze hofstede behoorden; namelijk 32 appelbomen, 10 perelaars, 14 kerselaars, 41 tronken, 3 olmen, een essenboom en een notelaar. Op de dag dat de verkoper de hofstede zal verlaten, moet hij al deze bomen in goede staat overleveren, “ten ware by storme van wynde, ofte ghewelt vande soldaten” een deel ervan vernield was. (39).

In 1595 pachtte Anthuenis de Ryckere voor negen jaren aan 9 sch[elling]. 8 gr[oten] per gemet, een hofstede van 33 gemeten 2 lijnen, behorende aan de armendis van Damme. Ook hier worden al de bomen opgesomd die aldaar aanwezig waren: op het voorhof 15 appelbomen, één pereboom, acht kerselaars, drie pruimelaars en 16 tronken of knotwilgen. In de boomgaard 25 of 26 appelbomen, 2 perelaars en 5 pruimelaars. Rondom de landerijen bevonden zich 50 tronken en 5 olmen. Indien er een boom verdroogde, moest de pachter twee jonge bomen van dezelfde soort planten. Gedurende de eerste drie jaren van zijn pacht, moest hij nog 16 appelbomen, 16 pere-bomen en 18 kerselaars planten, en ieder jaar rond de landerijen 15 poot-staken of tronken en drie opgaande wilgebomen; en deze moest hij in groei houden en bij het verlaten van zijn hofstede, deze overleveren aan zijn opvolger.

In de beschrijving van de gebouwen is er een artikel dat wijst op het oorlogsgevaar. Indien de gebouwen afgebroken worden door de “rebellen”, dan wordt de herstelling ervan afgerekend van de pachtsom, maar het bedrag mag niet hoger oplopen dan 8 lb.gr.[= pond groten], wat gelijk stond met de jaarlijkse pachtsom van 16 gemeten 2 lijnen of wat daaromtrent overeenstemde met de helft van de jaarlijkse pachtsom van de hofstede(40)

IV.  Tot aan het Twaalfjarig Bestand (1591-1611)

Het derde schepenregister loopt over de jaren 1591 tot 1611 en bestrijkt dus ook de eerste twee jaren van het Twaalfjarig Bestand van 9 april 1609.

Ondertussen, in 1594, had de regering te Brussel de drie schependommen van Damme, Hoeke en Monnikerede, die ieder over te weinig inkomsten beschikten om er een eigen bestuursapparaat op na te houden, verenigd tot één enkel schependom, dat zetelde te Damme, en waarin Hoeke en Monnikerede ieder vertegenwoordigd waren door één schepen.

De oorlog duurde altijd voort in Zeeuws Vlaanderen en rond Oostende.

1. Afpersingen door vijandelijke Soldaten

Het waren vooral de vijandelijke soldaten van de garnizoenen van Oostende en Biervliet, alsook uit Zeeland, die nu en dan alhier een strooptocht inrichtten.

Volgens een verklaring in augustus 1596 door verscheidene personen afgelegd, hadden de Noordnederlandse soldaten uit Oostende in de zomer van 1591, uit de weiden rond Damme medegenomen “zekere groote quantiteyt van peerden en de koeyen”, het juiste aantal wordt niet aangegeven, en die toebehoorden aan elf inwoners van Damme.

In 1594 hadden Noordnederlandse soldaten uit Biervliet en Zeeland, alhier paarden, koeien en ossen medegenomen, die zij onderweg moesten achter-laten. Te Lapscheure hadden soldaten uit Biervliet de paarden van een inwoner van Damme medegenomen en zijn twee knechten als gijzelaars medegeleid. Te Moerkerke namen soldaten uit Oostende twee andere werklieden mede, alsook drie inwoners uit Damme. Vier andere inwoners van Damme werden te Moerkerke gevangen genomen door soldaten uit Zeeland.

In al deze parochies lagen de meeste hofsteden verlaten en de bewoners ervan verbleven te Damme. Wanneer zij op het land gingen werken, werden zij dikwijls door vijandelijke soldaten verontrust of gevangen genomen (41).

2.  De Springvloed van 1609 te Moerkerke

Tengevolge van deze algemene onveiligheid werd niets ondernomen om de overstroming door zeewater, dat het land binnendrong langs het Lapscheurse Gat, in te dijken.

Op 18 februari 1609, ‘s avonds om 9 uur, met de volle maan, kende Moerkerke een groot tempeest met springvloed en dijkbreuken. De inwoners van Moerkerke vluchtten op de daken en de bomen, en moesten hun vee aan zijn lot overlaten. De volgende dag werden zij door bootjes uit Damme gered en zij gingen zich te Damme vestigen. Veel landerijen waren over-stroomd door zeewater. De gezworenen en de gelanden van de wateringen te Moerkerke, Stampaartshoeke, Ste- Katerine en de Broek, drukten bij de schepenen van Damme hun grote bezorgdheid uit, omdat het zout water kwam tot tegen de bermen van de Lieve, die de druk van de overstroming niet zouden uithouden, waardoor de Lieve niet meer zou kunnen gebruikt worden voor de scheepvaart. Zij vroegen dat de doorgespoelde dijken zo snel mogelijk zouden hetsteld worden, opdat het zout water de landerijen niet voor jaren zou bederven (42).

3.  De Militairen van het Garnizoen te Damme

Damme had nog altijd een talrijk garnizoen. Maar de hoofden van de troepen deden hun best om aan de bevolking niet te veel last te berokkenen, en zij vroegen nu en dan aan de magistraat een bewijs van goed gedrag; wat dan ook regelmatig werd afgeleverd, zoals b.v. op 2 augustus 1593, wanneer jonker Guillaume de Lannoy, gezeyd Mingoval, militaire gouverneur van Damme, een attestatie ontving, waarbij verklaard werd dat zijn soldaten zich goed hadden gedragen, en nooit aanleiding hadden gegeven tot klachten (43).

Wij vinden nog andere akten over de militairen. Op 14 augustus 1595 had een soldaat van de kompagnie van jonker de Lannoy, vier medesoldaten aangevallen, waarvan er een later aan zijn verwondingen overleed. In zijn stervensuur werd deze laatse bijgestaan door meester Christiaen de Brabander, pastoor te Moerkerke en aalmoezenier van het garnizoen van Damme. Aan hem had de stervende gevraagd dat de drie andere aangeval-lene soldaten de moordaanslag zouden willen vergeven, zoals hij dit zelf reeds had gedaan vooraleer te sterven. De drie soldaten verschenen op 18 aug. 1595 vóór de schepenen van Damme om te verklaren dat ook zij vergiffenis schenken aan de moordenaar (44).

In 1596 is er nog een andere akte. Twee soldaten 27 en 30 jaar, in garnizoen te Damme, verklaarden: “up huerlieder eedt ende manne waerheyt, met upgerechte vinderen hooghelick daertoe toeghestaeft zyne, zoo het behoort”, en dit op aanvraag van de chirurg van de kompagnie, dat zij de vorige winter, bij ongeval, werden gekwetst in het dorp Kluizen ten noorden van Gent, door Stoffel Michiels. Sedertdien heeft de vader van de schuldige hun “gheappaiseert ende ghecontenteert van huerlieder pyne, smerte ende verlet”, en de chirurg was ook reeds betaald voor het “cureren ende meesteren”. Het ongeval gebeurde wanneer de kompagnie terugkeerde van het beleg van Hulst, op weg naar Damme (45).

Enkele militairen maakten hun testament op vóór de schepenen. Op 20 mei 1604 was het Matthys Monschyn uit Molsen in de Elzas. Hij gaf de helft van zijn bezittingen aan het hospitaal te Damme, waar hij ziek lag; 2000 gulden aan de chirurg Niklaas Langhe, zijn landsman; en de rest aan de neef van de chirurg. In marge staat aangetekend wat zijn kapitein hem schuldig stond, namelijk een paard en vijfmaanden gage of solde aan 24 gulden per maand. De griffier van de stad Cambrech in de Elzas had voor hem in bewaring 2000 gulden, en zijn andere bezittingen waren te Molsen in bewaring gegeven aan de neef van de chirurg. Dit toont dat deze beroepssoldaten een goede stuiver verdienden, en veel konden wegleggen wanneer zij spaarzaam leefden (46).

Een ander soldaat, Pierre Pyson, van de kompagnie van Monsieur de Bie, stelde in 1606 aan tot zijn erfgenamen, zijn twee kinderen: “Pietken en Martijnken, die hij gewonnen had bij Marie Serville”. Pierre en Marie waren gehuwd te Kersy bij St-Omer, op de vastenavond, de dag na de inname van Calais in 1596 (47).

De 21 maart 1609 vinden we het testament van een officier, jonker Goris van Kitsel, kapitein van een vrij vendel of kompagnie Duitsers, in dienst van de koning van Spanje en van de Aartshertogen. Hij verklaart veel geld verdiend te hebben in de oorlog. Aan zijn vrouw jonkvrouw Margriete van Hautessen geeft hij al zijn goederen, gelegen in de Nederlanden. Deze die liggen “in Duutslant ofte elders buuten de Zeventien Provinciën”, gaan naar zijn naaste bloedverwanten. Uit haar deel moet zijn vrouw ten voordele van zijn natuurlijke dochter Charlotte, duizend gulden geven, die haar slechts zullen uitgekeerd worden als zij huwt of naar een klooster gaat. Ondertussen moet zijn vrouw met de interest van deze 1.000 gulden zorgen voor kost en kleding van Charlotte. Indien deze laatste niet kan overeenkomen met zijn vrouw, dan moet Charlotte elders opgevoed worden. Hij had ook een verlaten jongentje, Paulusken, opgenomen “om Gods wille”. Aan hem moest zijn vrouw 150 gulden geven wanneer hij meerderjarig werd (25 jaar), en ondertussen betalen voor zijn kost, klederen en voor het aanleren van een “ambocht ofte zulcke kennysse daer ‘t kint synen cost sal moghen eerlick mede winnen” (48).

De officieren verdienden veel geld wanneer zij vijandelijke officieren konden krijgsgevangen nemen. In een schepenakte van november 1591 staat de losprijs vermeld van een Franse kapitein van de koninklijke wacht van Frankrijk, die zich borg had gesteld voor een gevangen genomen Franse generaal. De losprijs bedroeg 400 gouden schilden, een zeer grote som, waarvan 100 schilden te Doornik betaald werden aan kapitein Jehan Symoens, nu gouverneur van Damme, die de generaal had gevangen genomen (49).

Vele van deze beroepssoldaten namen overal hun wettige of onwettige vrouw en kinderen mede, die de grootste plunderaars waren van de legers. In ieder kompagnie Duitsers was een energieke onderofficier belast met het toezicht op deze vrouwen en kinderen. Het was de feldweibel, ook huren-weibel genoemd, waaruit de Duitse onderofficiersgraad van feldwebel voortkomt.

In de tentoonstelling “Vlaamse Kunst in Brits bezit”, die te Brugge gehouden werd in 1956, was er een schilderij van een Spaans legerkarnp gedurende het beleg van Oostende in 1601-1604. Op het voorplan zag men een soldatenvrouw die een meisje aan de hand houdt. De vrouw draagt zware soldatenschoenen. Op het hoofd heeft zij een brede soldatenhoed, en op de rug draagt zij een rugzak, waarboven een wieg gebonden is met een wichtje. In de hand draagt zij een gaanstok, want ze moest de vele kilometers mede opstappen met de legers. Een afbeelding van deze vrouw verscheen in de volkskundige almanak: “ ‘t Beertje ” van 1957.

Hoe deze soldatenvrouwen soms behandeld werden vinden we in het schepenregister van Damme. Op 4 augustus 1604 verscheen vóór de schepenen, Jacqueline de Frans, “saige femme juré de l’armée des Archiducs”, ‘t is te zeggen “beëdigde vroedvrouw van de legers van de Aartshertogen”, en geboren te Gromilly in Luxemburg. Op aanvraag van Gillis Colyn, militaire bakker in het leger van markies Spinola, verklaarde zij onder eed, dat Beatrice Perret, de vrouw van de bakker, van de auditeur generaal bij het beleg van Oostende, een stamp in de buik had gekregen, en dat deze haar daarna een loden inktpot op de arm had geworpen. De vrouw, die weldra moest baren, verloor de volgende dagen veel bloed en overleed elf dagen na de mishandeling. Voordien was zij altijd gezond geweest. Waarschijnlijk werd zij onderhoord door de auditeur generaal en had zij zich wat te onbeleefd aangesteld (50).

Slechts éénmaal vond ik een geval dat de militairen hun schulden niet betaald hebben. In januari 1611 kwamen twee brouwers en een kleermaker uit Damme vóór de schepenen, waar zij briefjes voorlegden die door militairen van de Ierse kompagnie in betaling gegeven waren en die nadien, wanneer de Ieren Damme verlieten, niet betaald werden door de alferis of onderluitenant Tadio Kelly, die gewoonlijk deze briefjes betaalde. Kelly kon noch lezen noch schrijven, maar de briefjes werden geschreven door Guillaume Lins, sekretaris van de kompagnie. Veel schuldeisers hadden de kompagnie gevolgd tot in Weert (Nederlands Limburg). De betaling werd regelmatig beloofd en dan weer uitgesteld. De schuldeisers hadden een advokaat aangesteld om hun zaak te vervolgen. En de twee brouwers en de kleermaker vroegen aan de schepenen dit alles te willen schrijven aan de auditeur generaal, om hem te vragen de advokaat te helpen bij het invorderen van de schuld. De akte is in het Frans opgesteld (51).

4.  Attestaties, afgeleverd aan Militairen

In die tijd bestond er nog geen burgerlijke stand. De voorloper ervan, de registers van dopen, huwelijken en sterfgevallen, bijgehouden door de pastoors, begint slechts rond 1615-1630. Daardoor komt het dat de schepenen van Damme allerlei attesten afleverden, o.m. over de identiteit van militairen, identiteit die altijd bevestigd wordt ten minste door twee beëdigde getuigen.

Op 3 september 1604 werd een latijnse attestatie afgeleverd van het huwelijk te Damme gesloten tussen de militair Georgius Dunghershamer, van de kompagnie van de graaf de Berlaimont, en geboren te Wertburg in Franken (Beieren), en Livine de Boot uit Damme (52).

Twee soldaten, Joseph van Franckenhuyse, ”gevryder”, en Willem van Leemgoe, “dobbel soldner” onder kapitein Bruunick van het regiment van graaf Frederik van den Berghe, verklaarden op 3 april 1606, op verzoek van Aelken, de dochter van Derk Mesch, dat haar echtgenoot Anthuenis Halevelt, overleden was van de pest, enkele dagen vóór de overgave van de stad Oostende in 1604 (53).

Op 29 oktober 1606 kwam soldaat Jacques Lanthier, alias Deshams, verklaren dat zijn broeder Pierre de Champs, schoenmaker in de kompagnie van kapitein Bernart, veertien dagen vóór St. Remigius (1 oktober) 1604, te Damme overleden was van de pest. Schepen Pierre Rutsaert, die hem goed had gekend, alsook verscheidene militairen kwamen dit bevestigen (54).

In het jaar 1605 vertrok het regiment van graaf Frederik van den Berghe uit Damme naar de omgeving van Sluis, welke stad op 16 augustus 1604 door de Noordnederlanders was veroverd. In 1605 werd Sluis “ghepetardeert” of beschoten “van weghen haere Hoocheden Aertshertoghen Albrecht ende Isabelle serenissime”. Een van de soldaten, Heyndrick uit Bonn bij Keulen, verklaarde toen dat, ingeval hij sneuvelde, er ieder jaar in de maand mei, een dienst moest gecelebreerd worden in de kerk van Damme voor het heil van zijn ziel. Deze dienst moest door zijn vrouw betaald worden met de achterstellen van zijn soldij, wanneer zij die zou ontvangen hebben. En op 25 september 1609 kwam deze vrouw, Eva de Tronck, die reeds hertrouwd was met Jan van Halle, verklaren voor de schepenen dat zij aan de kerkmeesters van Damme 50 gulden had betaald, voor het aankopen van een eeuwige rente, om met de intrest ervan een jaardienst te laten celebreren voor de zielerust van Heyndrick (55).

Op 9 april 1609 was te Antwerpen tussen de afgevaardigden van de koning van Spanje en van de Aartshertogen enerzijds, en deze van de Noordneder-landse Provincies anderzijds, een twaalfjarig bestand gesloten, om voorlopig een einde te stellen aan de Tachtigjarige Oorlog, en om vredesonderhande-lingen te beginnen. Enkele soldaten verlieten toen het Spaanse leger. En zonder wachten op de afrekening van hun soldij, gaven zij volmacht aan medesoldaten om dit in hun plaats te regelen.

In de maanden oktober en november 1609 keerden twee Ierse soldaten naar hun vaderland terug. De eerste gaf volmacht aan een landgenoot officier, voor de afrekening van zijn soldij, die 523 kronen bedroeg. Een ander belastte daarmede een medesoldaat (56).

En op 4 januari 1611 werd aan Jeronimo Gallo, een Italiaan, die gedurende drie jaren te Damme de adjudant was geweest van majoor Anthonio, een bewijs afgeleverd dat hij zich altijd goed had gedragen en dat er nooit klachten tegen hem waren geweest (57).

5.  Attestaties en Paspoorten afgeleverd aan Burgers

Op 20 oktober 1604 verklaarden de schepenen van Damme, Hoeke en Monnikerede dat Margriete Prekers, vrouw van Joris Hecx, de 28 september overleden was van de “contagieuse sieckte”, namelijk de pest, in het huis het Kroontje en dat haar kind Neelken twee dagen later overleden was (58).

In december 1607 werd een echt paspoort afgeleverd, dat begon met de volgende woorden: “Alzoo in dese jeghenwoordighe beroeringhe, drouve tyden, bequaem, jae by naer nootsaeckelick is een yghelicke, ende sonderlinghe de gone van het eene lant in ‘t andere reysende, dat men cont maekt wie hy is, van waer hy comt, van wat leven ende comportement, - soo is ‘t dat wy Burgemeesters ende schepenen der steden van Damme, Houcke ende Munnckeree, ten versoucke van Jan Johannis, gheheeten Houblon, maecken cont ende kennelick. . .“. Zij verklaarden dat Jan in 1603 te Damme toegekomen was als soldaat van wijlen kapitein Maximiliaen Bernaert, dat hij later de dienst had verlaten met een “eerlick ende absoluut paspoort" (met definitieve vrijstelling van dienst), en sedertdien zich altijd “eerlick, trauwelick ende catholickelick gheregeert heeft”. Te Damme was hij later de plaatsvervanger geweest van de baljuw of gerechtsofficier. Hij werd overal warm aanbevolen (59).

Adriaen Tiers, wonende te Westkapelle, kwam, samen met een mede-parochiaan Anthuenis de Pauw, die de schepenen van Damme goed kende, op 3 juni 1608 te Damme een paspoort vragen. Tiers had veel jaren te Damme gewoond, en was dan naar Westkapehle vertrokken, “sonder eenighen quaede naeme ofte faeme ofte cleenicheyt achter te laeten”. Zijn moeder, een weduwe met een talrijke kroost, was in 1583 “in de vlucht van Moerkercke”, naar Damme komen wonen en had al daar haar kinderen op een deftige manier grootgebracht. De schepenen gaven de volgende aanbeveling : “Bidden daerom een yeghelicken in ‘t faveur van justitie, dat sy souden beliefven den selven Adriaen Tiers te voorderen ende te promoveren up dat de occasie hem presenteerde……“ (60).

De vlucht van Moerkerke, wanneer Brugge, Damme en Sluis nog in het bezit waren van de calvinisten, was zeker veroorzaakt door plunderende katholieke soldaten, de beruchte paternosterdragers, die overal plunderden en gijzelaars medenamen.

Op 12 januari 1611 werd een bewijs van wettige geboorte afgeleverd. Schipper Rogier Heynkens, 59 jaar, en Joorinke Pieters, weduwe van Wouter van Loo, 58 jaar, kwamen verklaren onder eed, dat Jan Goethals, wonende te Brugge bij de Carmersbrug, de wettige zoon was van Jan Goethals, “een waele van gheboorte”, die in 1557, na de veldslag bij Saint-Quentin, naar Damme was komen wonen, en er het beroep van parmentier of kleermaker uitoefende. Hij overleed als schepen van Damme rond 1 mei 1584, “emmers een luttel tyts te vooren eer de reconciliatie van Brugghe ende van Damme ghvut ende ghepubliceert was”. Waarschijnlijk was hij tot het protestantisme overgegaan en zo schepen geworden ten tijde van de calvinisten (61).

Uit andere bronnen weten wij dat rond 1566 veel mensen uit Artesië en Picardie, naar Vlaanderen zijn uitgeweken.

6.  De Toestand te Middelburg in Vlaanderen

De baljuw van de heerlijkheid Middelburg-Vlaanderen, die toen behoorde aan ridder Philippe de Mérode, kwam op 26 maart 1607 vragen dat de schepe-nen van Damme, Hoeke en Monnikerede, als naaste geburen, zouden willen bevestigen dat de stad en heerlijkheid Middelburg, een van de schoonste heerlijkheden was van het Brugse Vrije, waar zij zich uitstrekte in de parochies St-Kruis bij Aardenburg O.L.Vrouw benoorden en bezuiden Aardenburg, St-Baafs aldaar, te Heile en te Moerkerke. Binnen de stad Middelburg lag een prinselijk kasteel, een schone hoofdkerk met vier kanunniken, een hospitaal, een klooster van arme Claren-Colettijnen en een groot aantal huizen. Ridder de Mérode bezat aldaar veel schone bossen en veel bomen in de dreven van het kasteel. Maar door de langdurige oorlog was de stad Middelburg volledig vernield, zodat “de eene steen upden anderen daer niet en was bleven”. Het kasteel is verwoest, al de bomen van de bossen en de dreven zijn uitgehakt en de meeste landerijen liggen overstroomd door zeewater sedert het ontstaan van het Lapscheurse Gat in 1583 (62).

In 1609 was de heerlijkheid Middelburg in twee delen gesplitst. Het gebied te Heile en rond Aardenburg was overgegaan aan Noordnederland; de delen rond Middelburg en te Moerkerke bleven bij de zuiderlijke Nederlanden. De grens werd gevormd door het Lapscheurse Gat. Maar de heerlijkheid bleef één enkele bestuurlijke eenheid vormen, met dit verschil dat de schepenen uit het Noordnederlands gedeelte protestanten waren, en deze uit het Belgische gedeelte katholieken. Tot in 1794 vormden zij samen de magistraat van de heerlijkheid.

7.  Geldnood bij de inwoners en Verkopingen bij rechtsmacht

Te Damme heerste nog altijd grote armoede en geldnood. Grote waarborgen werden gevraagd voor het betalen van het pachtgeld en voor achterstallige schulden. Daarbij werden nu en dan verkopingen bij rechtemacht gehouden, wanneer de schulden niet betaald werden.

Op 3 februari 1586 was in de Spaanse Nederlanden een plakkaat gepubli-ceerd ten voordele van de landslieden. Ik kon het nergens terugvinden. Waarschijnlijk wilde het de buitenlieden beschermen tegen hun schuldeisers. Maar in iedere hypoteekakte moeten de geldleners verzaken aan de bepalingen van het plakkaat “in faveur vande landslieden”.

Als waarborg voor de betaling van pacht of schulden, vinden wij het volgende. In 1591 voor de betaling van 22 lb.gr. [= ponden groten] wegens levering van 36 hoed of 61 hectoliter koolzaad, worden als waarborg gegeven: vier gemeten “braecktaerwe” en twee paarden (63). In 1593 worden als waarborg gegeven voor een schuld van 60 lb.[= ponden]: een koe, twee runders, een varken, drie bedden, drie vrouwenklederen, vijf tinnen platelen, drie ketels, een lijn groen vlas op het land en 25 bonden droog vlas (64).

Voor een schuld van 18 lb.gr. werden in 1594 als waarborg gegeven: een gemet tarwe, een gemet haver, een gemet bonen, en " 't labeur van eene dach met vier peerden” (65). Voor een achterstel van 48 lb.gr. van vier jaar pacht van een hofstede van het klooster van de Jacobijnessen te Brugge, worden in 1595 als waarborg gegeven: drie paarden, een kachtel, zes koeien, tien gemeten tarwe en twee gemeten sukrioen (een soort gerst) (66).

Het waren niet alleen de landbouwers die niet konden betalen. In 1597 stond de pachter van de wijn- en bieraccijns te Damme, Gabriël Lambrecht, 11 lb. [= ponden] 16 sch[ellingen] 8 gr[oten] ten achter. Als waarborg gaf hij een deel van de rijke huisraad van zijn huis, de herberg Vlaanderen. Maar het kon niet baten. De man had nog veel meer schulden, en enkele maanden later werd geheel de huisraad bij rechtsmacht verkocht. Het huis bestond uit een grote kamer, een keuken, een kleine kamer beneden, een voorkamer boven, een achterkamer boven, een zolder met voorraden, een kamertje boven de keuken, alsook een schuur. De meeste van deze plaatsen waren rijk gemeubileerd. En zoals dit vroeger gebeurde, ook in zeer rijke huishoudens, stonden er bedden in al de plaatsen, ook in de keuken (67).

Een ander huisgezin te Damme gaf in 1609 geheel zijn rijke huisraad in pand voor de terugbetaling van 52 lb.gr. [= ponden groten] (68).

In 1606 stond brouwer Anthoine Gillis 125 lb.gr. schuldig aan Joos Aerts voor de levering van graan en mout. Voor deze grote som gaf hij als waarborg zijn huis en brouwerij, genaamd Rome en gelegen langs de Reie, met daarbij de brouwketel, een kuip, twee balken, 200 tonnen en al het brouwalaam (69). Gewoonlijk hadden al de grote herbergen hun eigen brouwerij thuis, maar hier moet het een grote brouwerij geweest zijn, die ook bier leverde aan Partikulieren, aangezien zij beschikte over 200 tonnen.

8.  De Pest

Zoals we hoger reeds zagen, heerste de pest te Damme. In een schepenakte van 1604 zien we hoe de pestlijders verzorgd werden. Wie ziek was moest gaan wonen in het huis van de rode meester of pestmeester. De magistraat had vier mannen aangesteld “tot toezicht van de contagieuse sieckte", die over de pestlijders moesten waken en zorgen dat zij niet thuis bleven. In oktober 1603 was Boudewijn van Houcke ziek geworden en, op aanwijzing van de chirurg Joos Moens, was hij ‘s nachts gegaan naar het huis van meester Melsen, de pestmeester, alwaar reeds verscheidene personen gestorven waren aan de pest. Hij verbleef aldaar gedurende enkele dagen. Zijn vader beweerde echter dat hij niet leed aan de pest. En om hem naar huis te laten terugkeren, vroeg de vader een onderzoek.

Van stadswege werden daartoe aangesteld meester Robrecht van Remoortele, dokter te Brugge, en Niklaas van Dale, cellebroeder of Alexiaan, ook uit Brugge, wiens kloosterorde de besmettelijke ziekten, alsook de geesteszieken verzorgde. De vader stelde een andere Brugse dokter aan, meester François Vincents. Deze drie personen hadden de zieke onderzocht en verklaarden aan de vier leden van de stedelijke toezichtskommissie: “dat sy de sieckte alsnoch niet en conden jugieren voor gheheel goet oft voor gheheel quaet, maer en souden dat niet eer connen sien dan binnen dry ofte vier daghen”, zodat Boudewijn van Houcke verder moest verblijven in de woning van de pestmeester (70).

9.  Een Toveres

Op het einde van de XVIe eeuw en gedurende een groot deel van de XVIIe eeuw heerste in geheel West-Europa, zowel in de katholieke als in de protestantse landen, een zware heksenvervolving, waarvan vooral oude en abnormale vrouwen het slachtoffer werden. Gewoonlijk werden zij aangeklaagd door geburen, die onpasselijk geworden waren wanneer de vrouw bij hen aan huis was geweest of wanneer zij in het huis van de toveres waren geweest.

De toveressen werden beschuldigd van omgang met de duivel, en dit met het welbewuste doel hun medemensen kwaad te berokkenen. Deze verdachte vrouwen werden opgesloten en later op de pijnbank gelegd, waar zij, tengevolge van de folteringen, meestal alles bekenden wat hun ten laste werd gelegd. En tot slot werden zij levend verbrand. De weinige beschuldigden, die op de pijnbank alles ontkend hadden wat hun ten laste werd gelegd, werden dan soms nog voor tien of twintig jaar buiten het land verbannen.

Deze heksenvervolgingen geleken veel op de vervolging van collaborateurs of “zwarten” na de bevrijding van september 1944. Wie als “zwarte” beschouwd werd, was zonder meer plichtig; wie de verdediging van verdachte “zwarten” durfde opnemen, werd op zijn beurt verdacht van collaboratie. Zo ging het ook bij de heksenvervolgingen.

In 1607 was Marie Brustyn uit Damme vertrokken naar Middelburg in Vlaanderen. Cathelyne, de schoonzuster van de lochtenier of hovenier van mestro del campo of kolonel d’Aranda, had van Marie verteld “dat sy een toveresse was, dat sy Cathelyne haer altyts tzedert qualick te passe ghevonden hadde, naer dat sy een haerinck thaeren huyse adt, ende wat meer is, dat sy om sulcke redenen was toen vertrocken vuter stadt van Damme”. Marie Brustyn, wiens leven op het spel stond, kwam terug naar Damme, en daagde Cathelyne voor de schepenen om haar beschuldiging te staven. Cathelyne loochende echter alles en verklaarde dat zij van Marie “niets en wiste te segghen dan deucht ende eere”. De schepenen leverden daarop een attestatie af, waarbij zij bevestigden dat Marie Brustyn uit vrije wil Damme verlaten had, alwaar zij twee jaren gewoond had, en er een onbesproken leven geleid had (71).

 ---------------0000000----------------

Deze enkele uittreksels uit drie oude schepenregisters van Damme, geven ons een droevig beeld van de beklagenswaardige toestand waarin de bewoners van ons gewest leefden in het laatste derde van de XVIe en in de eerste jaren van de XVIIe eeuw. En dit laat ons toe de diepe zin te begrijpen van één van de smeekbeden uit de litanie van Alle Heiligen, waarin de verzuchtingen van onze voorouders werden vastgelegd, namelijk: ”A peste, fame et bello, libera nos Domine!”: van pest, hongersnood en oorlog, verlos ons Heer!

_________________________________________________________

Nota ‘s

Rijksarchief Brugge, Registers Brugse Vrije  nrs   17062, 17063 en 17064

 2017 02 13 091057

Het leven te Damme en omgeving onder de tachtigjarige oorlog (volgens de Schepenregisters)

Jos De Smet

Rond de poldertorens
1968
02
047-070
Achiel Calus
2023-06-19 14:38:19