Mededelingen
3. Rougier Vandenbroele, molenaar Vijve-Kapelle 1719

Firmin Roose

“Aprilis 1719 6,  mortuus est Georgius Vandenbroele, qui ex molendino suo cecidit, adeo ut S. oleo tantum fuerit unctus et 10ª huius sepultus est in coemeterio -  officio semiduplici” (1).

Met deze woorden noteerde de pastoor van Sint-Kruis 250 jaar geleden in zijn begrafenisregister dat Rougier uit zijn molen viel, zodat hij slechts met de Heilige Olie gezalfd werd. In de Staten van Goed op zijn naam (2) lezen wij: “Laet der heerelichede van Sijsseele, ghestorven ende verongheluckt in het vallen van sijnen meulen op den sesden april seventhien hondert en neghenthiene, tot Vijfve ter prochie van Sincte Cruijs”.

Rougier werd geboren in het muldersgeslacht Vandenbroele, dat o.m. een molen uitbaatte te Assebroek (Obrecht, zijn grootvader), te Sijsele (Rougier, zijn vader), Te Lapscheure (Andries, zijn oom), te Moerkerke (Laureins zijn broer), te Beernern (Rougier, zijn grootoom). Zijn vader heette eveneens Rougier en zijn moeder was Cornelia Anecaert. Zijn tante Passchyne Vandenbroele, en zijn oom Jacob Anecaert, hielden hem op 22 maart 1669 te Sijsele boven de doopvont (3). Van de vijf kinderen, die hij in zijn huwelijk met Joanna-Maria Sabboth (Sijsele 1691) verwekte, bleef enkel zijn dochter Isabella in het leven. De vijf kinderen daarentegen, die hij in een tweede huwelijk (Sint-Kruis 1702) bij Pieternelle de Cloedt kreeg, leefden nog allen toen hun vader op dramatische wijze om het leven kwam.

Van vaderszijde was Rougier “voor een vierde part gherecht in eenen coorenmijntmeulen, staende binnen de warrande van Sijsseele” en vanwege zijn eerste vrouw in “de helft vande gherechte helftscheede van eenen coorenwijntmeulen, met alle sijn roerende ende onroerende wercken, staende binnen de prochie van Moerkercke, op de suijtsijde vande Lieve, ghenaempt het Hooft”. De eerste molen werd voor 250 ponden grooten courant verkocht aan Pieter Charlet (de schoonbroor van Rougier); de tweede voor 67 pond. 1 schell. 8 groten aan Jan Lastoen. Met het geld van de erfenis kocht hij tijdens zijn tweede huwelijk “eenen coorenwijntmeulen met alle sijne draeijende wereken, staende ter heerlichede van Vijfve, binnen de prochie van Sincte Cruijs”.

Deze molen stond tussen de huidige steenweg en de oude (4), vlak vóór men vanuit Brugge het gehucht binnenkomt, “op den gront van het godtshuijs van Jerusalem binnen Brugghe, sijnde eeuwigh cheyns, groot 42 roeden, waer vooren men jaerlicx belast is te betaelen tot 11 schell. 2 1/2 groten”. Rougier had hem gekocht van Jan de Keysere  “voor de somme van een duijst en vijftigh guldens, mits ten dien tijde den selven meulen ende de andere edificien seer sterck waeren vervallen”. Het zal u misschien verbazen te horen dat:  “den selven meulen belast was met den cheijs honoraire vanden wijnt (!) aen den heere van Loppem, als heere vanden Ambachte vanden Houtschen ende vande hooghe justitie over de heerelichede van Vijfve, tot een pondt groote t’ siaers”.

Weelde was er niet bij Rougier Vanlenbroele: geen paarden, enkel twee koeien (samen 7 pond. waard) en drie varkens (samen amper 12 schell.!) en in de beste kamer:  “ses tinne patteelen met twee taillioren ende een dousijne tinne lepels”. Verder het gewone huisraad en “de besaeijthede op de landen bij desen Sterfhuijse in ghebruijck, bestaende in rugghe, labeur (5), seeuwen (6), halve (7) ende volle vette haver, caroten, al in Seule ende Saet (8).

In totaal was er evenwel  “meer bate als last” en wel : 93 pond. 8 schell. 11 groten.

De “prijsije” [= boedelschatting] werd uitgevoerd door de “ghesworen prijsers Pieter Charlet ende Pieter de Povere d’oude”, maar voor het molenwerk werd beroep gedaan op een specialist, “den meulenwercker Jan de Vos”. “Dhuijsijnghen ende edificien” werden samen “met de scheure ende voordere appendentien (voor soo veel regardeert de temmerage van balcken, deillen hout (9), Iserwerck etc)“,  geschat op 15 pond. 9 schell. “Het Steen vanden selven huijse ende scheure met den vloer” waren 4 pond. 13 schell. 4 groten. waard en “alle het stroodack op het huijs ende scheure” 3 pond. 10 schell.

Het interessantste deel echter uit de Staat van Goed, betreft de onderdelen van de molen; en wij geven het hier “van woorde tot woorde”  weer:

“ Alle het draeijende werck vanden voorschreven coorenwijntmeulen aen desen ghemeenen sterfhuijse competerende, staende op de prochie van Sincte Cruijs, ter heerelichede van Vijfve soo voorseijt, consisterende in vier seilen (10) met hunne toebehoorten van lijnen (11), de buijten lasschen(12) schenen (13), zoomen (14), ende Iserwerck, ghelijck ook de binnenroede (15) mitsgaders den asse met het Iserck, den marbel (16), mortier (17), en beughel (18), de vanghe (19) met den vleghel (20), het camwiel met het schijfloop (21), voorts de vier groote ijsers soo clauw (22), rijne (23), peire (24) als sporre (25), mitsgaders de steenkiste (26) met haere deckselen, ende het rijnckhoudt (27) met sijn blocken, het gheheele pas (28), den heinsel (29) met het wijnthaes (30) - Item oock de leije (31) met het wiel, ende alle de reepen, als te weten den steenreep (32), vanghen buijten en binnen, de greijhoutten (33), de weijghe (34), de caleijte (35) ende de boutten, ende den iseren hantboom (36), den pashamer (37), den naghel camer, eenen destel (38), een slie mes met eene hantsaeghe, een putbeertel (39) ende een forret (40), - Item seven scherphamers (41), mitsgaders den meelback van achter den meulen met twee standen, voorts den loopenden steen (42), wesende een vijfthiender (43), en welcken is dicke bevonden tot acht duijmen en een quart in advenante van twee ponden grooten ider duijm. - Item een ligghenden steen, wesende een vijfthiender, ligghende in drije stucken, ghepresen naer weerde; eijndelijnghe twee schijfhoofden met eenen reep (44).

“ Is al t’samen gheestimeert weerdigh te wesen ter somme van eenent'sestigh ponden acht schellinghen en thien grooten, conforme de particuliere acte van prijsije danof schriftelick gheformeert, respectivelick bij den voornoemden Pieter Charlet als prijser, ende Pieter Sabot als vooght, benevens de besittighe onderteeckent, de welcke bij dien alhier wordt goedt ghemaeckt, is op die forme uijtghetrocken... 61 pond. 8 schell. 10 groten.”

Om te eindigen geven we hieronder nog de kosten van de uitvaart.:

“Betaelt aen heer en meester Strijckbaudt, pastor der prochie van Sincte Cruijs 2 pond. 10 schell. voor de pastorele, den onderpastor van Sincte Anne ende eenen derden priester om te adsisteren in den dienst vande begrave-nisse vanden overleden, met den vollen dienst ghebeurt op den 10e april 1719”. - Jan de Queecker, koster, ontvangt 1 pond. 16 schell. “over sijne costerele adsistentie ter begravijnghe ende lijckdienst vanden overleden met het recht van Clockluijden ende grafmaecken, oock vanden pelder, vande vaene, ende het recht voor den coster van Sincte Anne, voor de chooralen, ende het recht vanden sanghere”. - Diezelfde koster was het ook, die de doodkist leverde voor 8 schell. “Het wasch, gheemploijeert ten uijtvaerde” werd voor 1 pond. 5 schell. 10 groten. geleverd door Christiaen Semaijn, terwijl Pieter de Bruijckere instond voor  “het maecken van een gheslote Cruijsse ghestelt op het graf vanden overleden”. Ook de koster van Moerkerke, T. Hesperspaen, verdiende iets aan de uitvaart: de man kreeg 8 schell. “over het schilderen van het voornoemde Cruijsse”.

Gabriel Allemoes had  “de leverijnghe van een halve tonne goedt bier, gheconsumeert int tracteren van den vrienden ten uijtvaerde”. Er was echter geen bier genoeg, want ook Pieter Wangaert bracht een rekening binnen van een halve ton bier. Kostte het eerste schuimend nat 16 schell. , het tweede was maar 13 schell. 10 groten. waard: wellicht proefden de vrienden op dit ogenblik het verschil in kwaliteit niet meer!

________________________________________________

Noten:

  1. Sint-Kruis, Parochieregister nr. 6, pag. 691, nr. 601.
  2. R.A.B. Staten van Goed, Brugse Vrije 2e reeks, nr. 535; 3e r. nr. 7008.
  3. Sijsele, Parochieregister nr. 4 , pag. 225.
  4. Sinds 1580 stond er op die plaats een molen. In 1938 haalde een storm hem omver, terwijl de molenaar Van Haecke aan het malen was. Iedereen waande de man verpletterd, maar als bij wonder kwam hij ongedeerd van tussen de puinen.
  5. Labeur: akker, die omgewerkt is met ploeg of spade.
  6. Zeeuwen: gronden waarin voren bedolven zijn met een “seeuwspa’, d.i. een spade met een lang, smal blad.
  7. Wij kennen korte en lange vette. Wat is halve en volle vette haver? (Graag uw informatie , indien u hierbij helpen kan)
  8. “In seule ende saet”: geijkte uitdrukking, die betekent: de gezamenlijke onkosten van : het bemesten, ploegen, zaaien of beplanten.
  9. Deilen hout: delië of deel, een soort Noors hout.
  10. Seillen: de zeilen van de molenwieken.
  11. Lijn: een dun touw.
  12. Buiten lasschen: nergens gevonden - volgens Verwijs: bepaalde soort houtverbinding (?).
  13. Schene: lange ijzeren lat aan het hek van een molenwiek, of aan de hals van de molenas.
  14. Zoom: houten dwarsligger, die op de schenen van de molenwiek genageld is.
  15. Binnenroede: één van de twee lange stukken hout, die kruisgewijze door de kop van de molenas steken en waaraan de wieken bevestigd zijn. De binnenroe is langs de windweeg; de andere is de buitenroe.
  16. Marbel: halssteen = stuk arduin, waarop de hals van de molenas draait.
  17. Mortier: stuk Doornikse steen met een gleuf, waarin de achterste pin van de molenas draait.
  18. Beughel: stuk ijzer boven de pin van de molenas, om te beletten dat deze uit de mortier zou springen.
  19. Vanghe: soort brede hoepel, die rond het vangewiel (=groot kamwiel aan de as van een windmolen) sluit, om de molen stil te leggen.
  20. Vleghel: hefboom, waarmee de heien (=zwaar stuk hout, dat aan de molenas vast is) opgehouden worden.
  21. Schijfloop: katrol - volgens het aantal schijven waarover de reep liep, sprak men van éénloop, tweeloop, drieloop, enz.
  22. Clauw: onderdeel van het klauwijzer, dat in de rijne draait en zodoende de loper doet draaien.
  23. Rijne: soort ijzeren kruis onderaan de bovenste molensteen.
  24. Peire: een dikke, peervormige, ijzeren spil, waarop de loper draait.
  25. Sporre: de onderste pin van de “peire”.
  26. Steenkiste: houten kist, waarbinnen de loper draait.
  27. Rijnckhout: houten cirkel rond de liggende steen.
  28. Gheheele pas: de balken, waarop de loper van de maalstenen draait en doormiddel waarvan men de stenen kan passen.
  29. Heinsel: een gebogen handvat, bv. bij een emmer - het hangsel = de toppen van de bekken van de molenzeilen, waarin de hangselkoorden grijpen, die dienen om de zeilen op te hangen.
  30. Wijnthaes: windas, waarop een ketting rolt, die onderaan de staart van de molen vastligt, en dat dient om de molen in de wind te steken.
  31. Leije: windas, dat dient om de zakken graan in de molen te trekken.
  32. Steenreep: dikke koord of kabel, die dient om de molenstenen op te hijsen als ze gescherpt moeten worden.
  33. Greijhoutten: greinenhout is een deel of delië, een soort noors hout; een greynstock was een stok met groeven, die op de tramen lag waarop de schoen hing.
  34. Weighe: wegge = een spie om de pestels, waaraan de wieken vast zijn, in de assegaten te klemmen. De vier wegen waren ook de wanden van een staakmolen.
  35. Caleijte: spievormige blok hout, dat onder de loper geschoven werd, als men hem wilde oplichten.
  36. Hantboom: breekstang, paal waarmee men iets brak of rameide.
  37. Pashamer: voorhamer, die dient om de weggen van de pasbalk te regelen.
  38. Destel: snijdend werktuig, gebruikt door kuipers, timmerlieden en wagenmakers.
  39. Putbeertel: smalle, platte beitel om putten in het ijzer te steken.
  40. Forret: een kleine boor.
  41. Scherphamer: Dient om de kerven in de molenstenen te scherpen.
  42. Van de twee molenstenen ligt er één vast: de ligger of de liggende steen; de andere draait er boven rond: de loper of de lopende steen.
  43. Vijfthiender: een molensteen heeft een doorsnee van 1,30 à 1,40 m. Hij is van 27 tot 30 cm. dik, en weegt gemiddeld 850 kg. De lichtste wegen 600 kg, maar er zijn er ook van 1050 kg. Een vijftiender was waarschijnlijk een steen van 15 X 100 pond of bijna 700 kg (695,85).
  44. Schijfhoofd: de vier stukken hout, in de vorm van een raam, die het onderste en het bovenste blok vormen van een lanteern, of karbonkelwiel.
  45. Voor de uitleg van de molentermen ging ik te rade bij: L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, Brugge 1873. Alfred Ronse, De windmolens, Desclée-de Brouwer, Brugge 1934.

Merk wel : Overvloedige illustratie bij de besproken molentermen vindt men in het bovengenoemde werk van Alfred Ronse. Wie meent aanvullingen, wijzigingen of verbeteringen te kunnen geven bij de uitleg over de molentermen, mag die gerust insturen bij de redaktie.

2016 03 22 111636De Waterpoort waarin de omgeleide Lieve in 1616 doorheen de vestingen van Damme liep. -  (Foto R. Crois)

2016 03 22 111711De molen van Vyve-Kapelle gebouwd rond 1580. Omver gewaaid in 1938, terwijl molenaar Octaaf Van Haecke aan ‘t malen was.  Hij bleef ongedeerd. Hier samen met zijn zuster Margriet.

2016 03 22 111735Het opgedolven sas van 1616 waar de Lieve te Damme, een 50 jaar, in de vroegere havengeul kwam.  -   (Foto R. Crois)

       ----------------00000       000000        00000-----------------

 

Mededelingen: 3. Rougier Vandenbroele, molenaar te Vijve-Kapelle 1719

Firmin Roose

Rond de poldertorens
1969
04
144-147
Achiel Calus
2023-06-19 14:38:19