De dorpskom van Lissewege en de omgeving (Deel 1)

Germain Vandepitte

Dank zij een paar belangrijke documenten, kunnen wij de kom van Lissewege en zijn omgeving beschrijven, zoals die er in de 16e en 17e eeuw uitzag.

Deze studie situeert de huizen, de wegen, de waterlopen en de percelen. Het bedoelde gebied wordt per Begin of Sektie van de Watering behandeld. De dorpskom van Lissewege behoort bij vier beginnen van de Watering van Eiensluis: het 44e, 45e, 50e en 51e begin. Wij geven daarom eerst een topografische beschrijving van deze vier beginnen. Daarna volgt een alfabetische lijst van al de ons bekende toponymen, met het bewijsmateriaal. Alle topografische en toponymische gegevens staan op de bijhorende detailkaart.

In en rond het dorp liggen, of lagen vroeger, allerlei wegen. Een openbare weg heette meestal eenvoudig “heerwegh”. De weg van de kerk naar het westen heette tot aan de Schotterij: Kerkstraat of Weststraat, nu Pol Dhondtstraat; en die was al vroeg gekassijd. Van de kerk tot de Roelandsbrug gold de naam Zuidstraat of Kruisstraat. Verder zuidelijk heette de straat “de heerweg naar Dudzele”. De Reyvaertstraat was vroeger “de straat naar de Ashoop”. Rond de kerk liep de Processieweg of Zuutomme, nl. rond de kerkhofmuur langs de pastorie naar Saaftinghe, ofwel omheen het goed van Jvr. Vankerschaever naar de Roelantsbrug. De weg die naar het westen loopt, nl. naar Kruishille en naar Zuienkerke, de weg die naar het Sas van Heist leidde - vóór het graven van het Zeekanaal en de weg naar Dudzele, werden in het midden van de 19e eeuw gekassijd.

Naast de openbare wegen vindt men allerlei land- en voetwegjes. Kerkwegels of kerkstieën leidden door de weiden en langs de velden naar de dorpskom.

Het grootste deel ervan is vóór de laatste oorlog in onbruik geraakt en verdwenen. Hier en daar bestaat er nog een stukje. Nu nog ligt een strookje naast de Beukemarehoeve met een loopplank over de Kemelader. Deze wegels gaven dikwijls aanleiding tot “slaande” ruzies tussen de eigenaars (pachters) en de gebruikers. Zo ontstond er in 1894 een hevige betwisting tussen de inwoners en een zekere Constandt, eigenaar van een deel van de Vagelandwegel, die liep van de Tragelweg naar de Dulleweg. Constandt meende het recht te hebben de doorgang te beletten. Zijn maatregel gaf aanleiding tot erge onlusten. In zijn brief van 17/4/1894 wees de arrondissementscommisaris , de burgemeester erop dat hij in zijn plicht tekort geschoten was, door de baldadigheden van de vorige zondag niet te hebben belet; en de veldwachter moest letten op de ordehandhaving. De burgemeester kreeg bevel uit te maken wie de eigenaar van de betwiste wegel was (GaL bundel 17, brief van arrondiss.).

Gebruikte Afkortingen:

D.F. : Toponymisch woordenboek van Karel De Flou

Rab. : Rijksarchief Brugge   

  • GaL. : Gemeentearch. Lissewege. Lijsten wegen 1822 en 1841.
  • Kal. : Kerkarch. Lissewege. Registers vanden landen toebehorende de Kercke 1555 en Land en pachtboek 1616 ontbreken.
  • Sand.: Fonds Sanders: leggers nr. 9 van ± 1500 en nr. 123 van 1600

Kad. : Volgens kadastraal plan (1965) Sektie B = 44e en 45e Begin  -   Sektie C = 51e Begin - Sektie D = 50e Begin

Arch. Doest :  Seminarie Brugge, Archief van Ter Doest.   -  Register nr 111, renten 1567   -   B. Thos. : Bonis Thosan 1429

Bes. Wat. : Beschrijving der vereenigde Wateringen van Eyensluis en Groot         -                Reygarsvliet. J. Drubbel 1838 + Kaart

Het 44e Begin Eiensluis

Kadastrale omschrijving: Sektie B, 1e blad nrs 214 tot 298                            -                                    Sektie B, 4e blad nrs 299 tot 354.

Omschrijving:

Noordzijde van de Walram Romboutstraat, oost van de Lisseweegse Watergang, zuid van de Beukemarestraat, het kleine driehoekje over het Boudewijnkanaal, zuid van de hofstede Ch. Galle in de splitsing van de weg naar het Strooidorp en de Kemelader, deze volgend tot aan het Lisstraatje, noordkant van de Jacob Reyvaertstraat tot de Pastorijstraat en noordzijde van de kerkhofmuur tot het dorp.

Volgens de legger Sanders nr 123 stonden er binnen deze omschrijving 12 huisjes, 9 hofsteden, een smidse en de pastorie van de 3e portie [= deel / gedeelte]. Als we beginnen in de hoek ten noorden, vallen deze percelen juist in het Boudewijnkanaal en verschillende ervan waren belast met de "Caespenninckrente", die toekwam aan de abt van St-Baafs te Gent. Een eveneens verdwenen perceel nr 232 hoorde toe aan de St-Jacobsgilde van Lissewege. In 1759 was dit stuk bebost. West daarvan lag een partij van 6 gemeten 1 lijne 10 roeden, eigendom van “het Gasthuus van Leffinghe”. Zuid daarvan lag de Rafoele.

Een klein driehoekje over het kanaal is gebleven: het zijn de huidige percelen 234c, 235a en 236a gelegen zuid van de hofstede Galle. Het molenhuis van de Beukemaremolen stond op perceel 236a en er rest slechts een onooglijk gebouwtje. De molen zelf stond in het 43e begin op perceel 211. Aan de St-Kathelijnemisse behoorde een deel van het perceel 250; het paalde aan de landweg in de Kwikker.

De zuidkant van de Beukemarestraat was toen nog onbebouwd, en het Nieuwdorp bestond nog niet als gehucht. Een hofstedeken stond in het zuidelijk deel van perceel 280 en draagt nu nr 282a. Het was iets inwaarts gelegen, juist bezuiden de huidige huizenrij. Naar het dorp toe vinden we nu de Witte Molen, maar deze werd pas in 1855 of 1856 gebouwd. Een heel stuk meer naar het zuiden vinden we de oude Smisse; ik ben geneigd deze te situeren op perceel 304. Deze smidse was belast met een rente van de kerk van Lissewege. Omstreeks 1869 werd dit huis onteigend en afgebroken om ruimte te maken voor het aanleggen van de steenweg naar het Sas van Heist. De toenmalige eigenaar, Jacobus Vandepitte kreeg 1500 fr. uitbetaald voor onteigening, afbraak en nieuwbouw.

Een hofstede iets meer ten zuiden gelegen, was belast met drie renten: St.-Jansmis, St-Jacobsmis en O.L.Vrouwmis. Daarop volgen, zonder een duidelijke lijn te kunnen trekken, enkele percelen waarop 5 huizen en drie hofsteden stonden. Op de hoek, nu “De Goeden Dag”, stond een huisje belast met een rente van de Armendis te Lissewege. Opeenvolgend in de Romboutstraat twee huisjes, vervolgens een hofstede met  “dweerse wuenste”  belast op een oppervlakte van 13 roeden met een rente van de kerk van Ter Doest. Volgt dan een huis en oost er aan een eigendom van 87 roeden, bezit van de O.L.Vrouwkapel. Een deel daarvan is het huidige Volkshuis. Als laatste in de rij, een hofstede van de kerk van Lissewege, verpacht aan de kosters; reden waarom het “de Costerie” noemde. Meteen weten we waar de Lisseweegse jeugd school ging tot 1823. Zuid over de straat, nu “In den Ouden Toren”, was het vroeger de herberg “Den Breeden Steegher”. Oost eraan lag de pastorie van de 3e portie van Lissewege.

Het 45e Begin Eiensluis

Kadastrale omschrijving: Sektie B, 4e blad nrs 684 tot 687 en 693c

nrs 786o, 786p, 786q2, 786n2,p2,s2

nrs 793 tot 860 uitgenomen 830 a,h, en c, en 831a.

Omschrijving:

Oost van de Lisseweegse Watergang, zuid van de Walram Romboutstraat, de kerkhofmuur noordkant tot de Pastoriestraat, zuid-zuidwest van de J. Reyvaertstraat, het verloren eind tot aan het Boudewijnkanaal, zuid de scheiding van Eiensluis en Groot Reigaartsvliet en de Vaartstraat tot aan de Lisseweegse Watergang, noord tot aan de Dorpsheule.

Binnen deze afbakening stonden 27 woonsten, vijf hofsteden, twee pastorijen en een kapelanij, drie herbergen, de huizen tSchaak, de Zwane, en 14 gewone huisjes en een smidse.

Oostelijk beginnende komen we eerst aan een partij die een woeste hofstede genoemd wordt (in puin ofwel zonder behuizing). Deze is te situeren op de percelen 793, 794 en 795. De straat volgend naar het dorp toe, in de kromming van de weg, ligt een hoge weide die toebehoorde aan de kerk van Lissewege. West eraan lag een boomgaard: “de Legghuut” genoemd. Later ook de Kersenboomgaard geheten.

Zuid van deze boomgaard, in de Kerkweg of Processieweg, nu de Pastorij-straat, was de pastorij gelegen van de 2e portie; en zuid daarvan, de pastorij van de eerste portie. In Sanders 9 wordt het reeds een vervallen priestrage [= priesterhuis] genoemd, waar meester Jan Van Dale woonde. Pas in 1638 zou een nieuwe pastorij zijn gebouwd door Meester Jan Joyens. Uit de parochieregisters weten we dat Walram Rombout in 1653 betaald werd voor het maken van een nieuwe Camere voor de pastoor. Een “Camere”  kan een heel huis zijn, maar evengoed een vleugel van een gebouw. Heeft Rombout het gebouw afgemaakt dat begonnen was door Jan Joyens? Of gaat het hier om één van de andere pastorijen? In elk geval het pastoorshuis dateert uit die tijd.

Langs de zuidelijke gevel van de pastorij liep een kerkstie [= kerkwegel], de “Dorpwegel” genoemd. Deze wegel liep via de “Salselstraat” en de Leenbilkstraat naar Dudzele toe. Ik heb deze wegel nog weten gebruiken door Duysburgh Eugenie en Telesphoor, beter gekend als “Sissen van Dokens”; beiden hielden de herberg “De Tijger” open, die op het dorp gelegen was. Deze wegel liep langs een oud leengoed in legger 9 genoemd naar de toenmalige eigenaar “tkindt van Gommer de Screyeleen”. Dit was 6 gemeten 2 lijnen 60 roeden groot “cum walle ende synghele in al” (met wallen en walgrachten erbij). Legger 123 spreekt nog van “een hooghen wal daarin ligghende”. Op de primitieve kadasterkaart van Lissewege staat de wal nog aangeduid. De dorpwegel liep er vlakbij langs de noordkant. Heden is er geen spoor meer van.

De landerijen Rosendale lagen west palend aan dit leen. Oorspronkelijk behoorden deze aan de Abdij van Ter Doest, maar ze werden rond 1500 verkocht aan Beernaert Zeghers die zijn hofstede had waar nu Saeftinghe is.

Een eigenaardigheid was wel dat alle percelen Oost en Zuid gelegen van de Kerkhofmuur eigendom waren van de aangelanden en wel tot aan deze muur. De verplichting bestond echter dat ze moesten passage geven aan de jaarlijkse processie. Hoewel niet meer aangegeven in de leggers nr 9 en 123, vinden we nog deze bepaling weer in de lijst der wegen opgemaakt in 1822 (volgens de voorschriften van 1818): ”Processieweg beginnende zuyd in de Salselstraate regt over den Aschope en leydende rond het kerkhof tot op de plaetse. Deze weg is eigendom van de aengelanden met reserve van te moeten passage verlenen voor de jaerlijksche processie”. Het verbazende van de hele historie is dat omstreeks 1831 de Sekretaris Franckin eigenmachtig deze weg afsloot voor iedereen en ook voor de processie. Dit ondanks protest van kerkraad en pastoor; de klap op de vuurpijl kwam van de Raad van Vlaanderen, die deze afsluiting bekrachtigde. De gemeente had nochtans opdracht gekregen de zaak te onderzoeken maar ... en hier komt de aap uit de mouw ... de Franckins waren secretaris en ontvangers op de gemeente en ondanks dat ze misschien zelf nog de wegenlijst van 1822 hadden opgemaakt (dat waren natuurlijk zaken die men zich tien jaar later niet meer moest herinneren), en daar de formulering niet meer voorkwam in de leggers, was de zaak voor mekaar. Temeer dat de formulering dat de aangelanden eigenaar waren tot aan de muur hier de doorslag gaf, waarop de Raad van Vlaanderen trouwens zijn besluit had gesteund.

Doordat alle percelen eigendom geworden waren van de Franckins verviel met deze afsluiting ook een zeer oude weg,”de Zuutomme”. Deze landweg gaf verbinding met de Processieweg en liep aan de oostkant van Saeftinge zuidwaarts omheen de duiventoren van het goed Vankerschaever naar de Roelantsbrug. Het herengoed Vankerschaever, voorheen Franckin, was eertijds een verzameling afzonderlijke perceeltjes. Saeftinge was vroeger de hofstede van Beernaert Zeghers. Zuidwest ervan, aan de straat, stonden twee huisjes; en helemaal zuid, in de Zuutomme stond het huis “t Schaak".

Aan de overzijde in de Zuutomme schuin over ‘t Schaak stond een hofstede vóór 1940 herberg “De Congo”. Priester Fonteyne heeft er destijds nog kiesmeting gehouden. Bij deze oude hofstede stond een schuur die belast was met een rente van St.-Obrechts. Noordoost vandaar stonden twee huisjes van de Armen. De verdere bebouwing van de Ter Doeststraat is van veel latere datum: de smidse is pas gebouwd in 1859 door Jan Spriet. Opvolgers waren Jan Peere en zijn zonen. Een toelating voor het bouwen van een bierbrouwerij werd in 1857 gegeven aan de broeders Jan en Pieter Berton. Deze brouwerij moet ergens aan de “Grote Garre” gestaan hebben (kad 812 t).    

Tegenover ‘t Schaak, aan de overzijde van de straat, met de zuidwesthoek aan de Roelantsbrugge, stond een hofstede en deze nam een flinke hoek in beslag: 115 roeden. Noord eraan een huisje van 14 roeden, en dan een huis met erf groot 45 roeden. Volgt dan een perceel dat ik meen te mogen aanduiden als de vroegere herberg De Tijger (kad B 836e). Eertijds eigendom van kerkmeester Michiel Vandepitte, evenals het aangrenzende huis en erf. Noord van dit laatste lag de publieke uitweg naar het vaartje, tussen percelen 839c en 843. Belangrijk in die tijd voor vervoer en waterbevoorrading. Later diende deze uitweg als afwateringsgreppel voor het water van de dorpsplaats. Nu is er een riolering aangebracht en is de uitweg nog altijd erfdienstbaar, hoewel deze nu afgesloten is. Tussen andere perceeltjes in lag recht voor de kerk een hofstede, waarschijnlijk het nog bestaande huis van Louis Declerck. Daaromtrent stond ook een schuur waarop een rente lag. Deze schuur lag oost aan het dorp, maar west aan Jan Colijns muur “ende huus ende landt dat wijlent brauwerye was”. Aan de noordzijde van het huis Declerck was er een grote uitsprong oostwaarts, zodat slechts een nauwe doorgang bleef tussen de herberg en gebouwen daarrond en de “BreedenSteegher” aan de overkant. Deze uitsprong is verdwenen in 1869 bij het aanleggen van de steenweg naar het Sas van Heist en de aanleg en opschik van de Markt in de vorm die ze nu heeft. De gebouwen die werden afgebroken, waren de herberg en de huizing Jos Duysburgh en het Sint-Jacobshuis.

Van ouds herberg, werd het St-Jacobshuis in 1823 verpacht aan het kerkbestuur om te dienen als onderwijzerswoning en school. In 1829 werd een cijnspacht aangegaan. In 1849-50 werden de gebouwen te klein en te bouwvallig bevonden en een nieuwe school werd gebouwd op het vrije erf naast de Kapelrie. Weeral te klein, werden in 1869 nieuwe scholen gebouwd op het erf “de Zetele”. De school van 1850 werd in 1870-71 omgebouwd tot bakkerij (een huis met een stagie). In 1871 werd bij een publieke verhuring de bakkerij toegewezen aan bakker Constant Van Kerschaever. De meubel-zaak die er nu is, is de oude school van 1850 en niet de oude herberg “Het St-Jacobshuis”, daar dit laatste werd afgebroken en de gronden ervan opgenomen in de Markt.

West eraan dus hebben we de “Capelrie”. Dit huis is door schenking (omstreeks 1600) aan de kapel van O.L.Vrouw gekomen. Het huis werd bewoond door de kapelaan en later door de onderpastoor. Omstreeks 1935 is het beenhouwerij St. Marie geworden. Aan dit huis was een vrije uitgang verbonden naar de Lisseweegse Watergang, en wel door de uitweg die het naastgelegen huis “De Zwane” had. Dit huis, nu bakkerij Maelstaf, had een brede uitweg naar de Watergang. Op eenvolgend stonden er nog twee huisjes voor we aan de “Drie Koningen” kwamen. Ook deze eigendom bezat een eigen uitweg naar het Vaartje. Dit huis was belast met renten aan de Armen, aan O.L.Vrouwmisse en aan de St-Jacobsmisse.

Ernaast lag een eigendom van Walram Rombout eveneens met een uitweg naar het Vaartje. In 1774 werd dit huis genoemd de herberg de “Drij Yserbollekens”.  Als laatste in de rij, hadden we de “smisse” van Anthone Gregoire; later eigendom van Walram Rombout met de melding “daer hy wuende”. Beide laatste huizen vormen nu het Restaurant Rombout.

Het 50e Begin Eiensluis

Kadastrale omschrijving:     Sektie D, 2e blad nrs 683 tot 739a

Sektie D, 4e blad nrs 739a tot 805

Brugge 12e Afd. Sektie Q, 1e blad.

Omschrijving

Zuidzijde van de Statiestraat, oost van de Zeebruggelaan tot einde Gemeente Lissewege, oost tot Lisseweegse Watergang en west van deze tot aan de Dorpsheule.

Staande op de Heulebrugge hebben we op de hoek de herberg het “Oud Gemeentehuis”, eertijds “de Valckenaere”. En te noorden aan had men “de Brauwerye”, en deze liep met een uitweg omheen de Valckenaer naar de Statiestraat. West van deze uitweg stonden twee huisjes, nu toonzaal Coppens en het huis ernaast. Volgde dan een hofstede van het St-Sebastiaansgild, groot 84 roeden, nu kolenhandel Lampo. Noord in het verlengde lag het Schottershof of de Schotterije, 225 roeden groot. Dit was aan het gild gekomen door een verlanding gedaan door de pastoor van de 3e portie Hr. Jan Rousverus zoals legger 123 opgeeft. West van de hofstede en schotterij lagen de landerijen en het Kasteel van de Heren van Lissewege: de “De Deckere - De Boodt” en later de “grave Colins”. In al groot volgens de legger: 10 gemeten 64 roeden, min 53 roeden die toebehoorden aan de kerk.

Het kasteel, Upperhof of Hooghe Hooft, zo het genoemd werd, stond op een “mote” [= verhevenheid] die enkele jaren terug werd afgevoerd. Naast de hofstede van het schuttersgild lag een partij [= deel van een stuk land] genoemd “de Maet”. De Kasteeldreef liep er schuin doorheen tot aan de Kasteelpoort. De ingang van deze dreef lag naast de Schotterij, of nu het begin van de Pol Dhondtstraat. Vandaar de reden dat men in de oude parochierekeningen leest: “... de kalseyde loopende van de Schotterye tot an de huelbrugghe.... “ . Van daar af liep de steenweg. Verderop liep de aardeweg langsheen de walgrachten van het Kasteel. Trouwens de noordelijke huizenrij van de statiestraat is gebouwd na 1900 op de gedempte walgrachten.

Langs de Zeebruggelaan, de oude straat naar Uitkerke, moet er nog een hofstedeke gelegen hebben voor men aan het Thiendenhof kwam. Deze laatste hofstede hoorde toe aan de abdij van St-Bertijns te St-Omaars. Deze abdij bezat het tienderecht in de streek en had daar haar hof en Tiende-schuur. Een Tiendedreveken liep west naar de straat toe en een ander liep “int noordhende” van de schuur oostwaarts tot aan de Tiendebrug aan de Dorpsmolen. De loop daarvan is nog gedeeltelijk te volgen tot aan het St.-Joris Maeyken. Het St.- Joris Maeyken, zo genoemd omdat het aan het St-Jorisgild behoorde, een schuttersgild dat echter reeds vroeg moet zijn verdwenen. In legger nr 9 wordt het goed nog vermeld op naam van dit gild, als toebehorende de St-Jorismesse. In nr 123 is er al geen spraak meer van en worden de goederen genoemd als komende van de St-Jorismesse. Er dient hier bijgevoegd dat het woord St-Jorisgild als dusdanig niet wordt aangetroffen.

“Noordt vander kercke letter oost by den dorpmuelene int 44e begin”, zo luidt de tekst in Kal 1555. Het land. waarover sprake lag wel in het 44e begin, maar de molen zelf staat in het 50e begin van Eiensluis. Dit is meteen de oudste vermelding. Het is zeker niet toevallig dat de St.- Joorismesse eigenaar was van de molenwal. In vroeger dagen werden de doelen op de molenwieken bevestigd, die daarna in opwaartse stand werden gezet. Naderhand is de wal eigendom geworden van de kerkmeester Michiel Vandepitte. Merkwaardig genoeg was de molen begin 1700 tot 1768 weer in het bezit van een Vandepitte. Jan gehuwd met Anne Marie Claeys, was na drie huwelijksjaren gestorven. De weduwe hertrouwde met Vankerschaever Carolus, waamede de molen in deze familie kwam. Opvolgers waren, meen ik, Desmidt Emiel en zonen. De molen zelf werd afgebroken omstreeks 1960.

Vanaf de molen tot aan de Heulebrug is aangaande perceeltjes en bebouwing weinig veranderd, tot in de laatste jaren. Zeven voet van de Watergang lag de rooilijn. Dat de bewoning zich hier ook langs de waterkant heeft gevestigd is typerend. In legger nr 9 tellen we 13 hofsteden (huisjes) en vier ledige plaatsen langsheen het Vaartje. In legger nr 123 zijn het er 14 huisjes en 4 hofsteden. De Brouwerij en de Valckenaere waren ook al vernoemd in de legger nr 9.

Het 51e Begin Eiensluis

Kadastrale omschrijving: Sektie C, 1e blad nrs 129 tot 179; nrs 86 tot 122b    Brugge 10e Afd. Sektie T (grondgebied Lissewege tot 1932)

Omschrijving

Zuid van de Statiestraat, west van de Lisseweegse Watergang, deze volgend tot Gijzelebrug, de weg west tot de Zeelaan (Brugge) en de Canadezenstr. (Lissewege) tot de hoek van de Statiestraat.

Volgens legger 9 stonden er 10 hofsteden en één huis. Volgens legger 123 waren er 11 hofsteden, een herberg en drie huizen.

Vanuit de noordwesthoek uit, staan we voor een hofstede, de nu nog bestaande hoeve Freyne. Begin 1800 bewoond door Karel Benediktus Vandepitte, landbouwer en meester-aannemer. Met boomgaard en al 2 gemete 1 lijn en 87 roeden. Oost daaraan paalde een stuk land van 1 gemet, eigendom van het St-Janshuis van Brugge. De straat volgend hadden we vervolgens de hofstede de Zetele. In 1862 werd dit aangekocht door de gemeente om er scholen op te bouwen. Eén voor de jongens en één voor de meisjes; elk met een onderwijzerswoning. Het teveel aan grond was zeer voordelig weder verkocht geworden. De woning van de meisjesschool werd nadien verbouwd en is nu het Gemeentehuis. De gemeentelijke Jongensschool werd afgebroken en opnieuw opgetrokken in 1924.

Oost eraan lag nog een hofstede met boomgaard. Nu is het een Welvaart-winkel; en de boomgaard een speelplein. Groot 2 gemeten 1 lijn 55 roeden was deze partij “verhaakt op het zuidoosteinde met een grote haak waar een wal in ligt, oostwaarts tot aan de watergang”. Deze wal is nog lichtjes te onderscheiden en ligt juist naast het Valerius De Saedeleerpad, het vroegere "Wegeltje”, toevluchtsoord voor hen die aan een dringende behoefte moesten voldoen. Van daar de meer volkse naam van “Str ... wegeltje” en “Sch ...hoekstje”.

De Dorpsmolen werd ook wel eens Noordmolen genoemd. Dit onderstelt meteen ook een Zuidmolen, hoewel zo’n benaming tot nu toe niet gevonden werd. Toch draagt het gehucht zuidwest van het dorp gelegen, de naam “de Poermolen” en had men er circa 1900 een Poermolenstraat. Dit om er op te wijzen dat de wal, hiervoren aangehaald, wel best een molenwal kan zijn. De ligging was ten andere zeer geschikt naast de waterweg. Nochtans geen van beide leggers spreekt van een molenwal. En toch.., in Bonis Thosan (1429) staat er: “... ende es muelenwal”. Hier dan zeker een bewijs hoe oude namen een taai leven kunnen slijten.

Naar boven toe, op de hoek aan de Dorpsheule, stond een herberg volgens legger 123. Legger 9 spreekt enkel van een hofstede, maar het één sluit het ander niet uit. Eigenaar was Jooris Rombout, broer van Walram en strodekker-herbergier van beroep. Op zijn tijd was hij ook ontvanger van Kerk en Dis. De herberg noemde: “De Vier Heemskinderen” (1600), naam in 1776 reeds geëvolueerd tot “De Vier Aymanskinderen” en in 1822 tot “Haeymanskinderen”. Gelukkig zijn ze er mee uitgescheiden, want niemand wist nog hoe het hoorde. In 1910 was het “De Engel”.

Zuid van deze herberg stonden twee hofstedekens. Zuidelijk aan de molenwal en oost grenzend aan de Watergang stond de hofstede “tGasthuus”. Hofstede is een groot woord, daar waar we lezen in het pachtboek (1616) “Lieven en Gabriel Allaert hebben gepacht een aermhuuseken ghenaemt tgasthuus”.

Opeenvolgend lagen er dan nog drie hofsteden waarvan de laatste grensde aan de Roelantsbrug. West van deze huizen, over de O.L.Vrouweader, lag een partij van 6 gemeten 40 roeden, een leen van het “Canonnincxsche” [= afhankelijk van een kerk of kapitel v.e.klooster]. In legger 123 draagt dit de naam van “tCussen”. Deze partij liep west tot tegen de Canadezenlaan en was bijlewijs (in de vorm van een bijl). De noordzijde van dit perceel liep tot zuid van de eigendom van St.- Janshuus. Wat verder doorliep, was eigendom van de familie Roedevelt. Samen met een deel van het Kussen vormt het nu nog de Grote Boomgaard.

Zuidelijk grenzend aan de O.L.Vrouweader lag een stuk land dat toebehoorde aan St-Juliaan te Brugge. Daar dit het enige eigendom was van St-Juliaan in dat begin, is er geen twijfel of we hebben hier te doen met het zeer oude “Esinhoeke” of “ten Eessenhoek “of nog “ten Eersten Houcke”. Het Esinhoek werd al genoemd in 1300. Kal 1555 geeft hier duidelijk aan: “... zuid van de kercke, zuid van het voorschreven perceel in het 51e begin en ligt “ten Eersten Houcke” ende es een driehoek tusschen die van St Juliens land...”.  Trouwens deze Eerste Hoek omvatte bijna heel het 51e begin van Eiensluis, daar de Esinbrug lag op de grens van Eiensluis en Reigarsvliet aan de heerwech ten eersten houcke over het Lisseweegs Vaartje, dit is rechtover de Vaartstraat.

Helemaal zuidelijk, in de punt, ligt Gijzelebrug. In de hoofding van het 51e begin van de legger nr 123, wordt gesproken over het O.L.Vrouwhuuseken. In het pachtboek 1616 lezen we: “1629, Heer Geeraert de Ferry heeft gepacht van O.L.Vr. een vervallen erfvene te Gijseele groot 41 roeden”. Dit erf was eigendom van de O.L.Vrouwkapel art. 60; vandaar de naam van O.L.Vrouwhuisje.

In Bonis Thosan is er te lezen: ”... an de zuitzide van de stede die heet: Ten Vrauwen”. Er zou wel eens een verband kunnen bestaan tussen deze twee. Kal 1616 f° 117: “1634, Danneel De Riet heeft in pachte van O.L.Vrouw een vervallen hofstedeken met alle de materialen van steen ligghende te Ghisseele art. 60, groot 41 roeden voor een termyn van neghen jaren achtereenvolgende beghinnende meye 1634  tot 8 schelhinghen 4 grooten tsiaers den hoop dies es besproken dat de pachter daer up moet maecken een huuseken ende doen matsen in gents calck behoorlick werck te wetene het steen zoo verre alst streckende can ende behoorelick timmeren ende her afscheden in die zyn de zorghers bij voornoemde capelle ghehouden hetselve huuseken over te nemen by prisie [= schatting/ prijsraming]. Toorconde 27 maerte 1634.”

----------------000000000------------------

Lees verder:  De dorpskom van Lissewege en de omgeving (2)

 

De dorpskom van Lissewege en de omgeving

Germain Vandepitte

Rond de poldertorens
1970
01
016-026
Achiel Calus
2023-06-19 14:38:19