De verdediging van de kust van Noord-Vlaanderen vanaf 1300 (2e vervolg)

Lic Maurits Coornaert

8. De laatste jaren van de Honderjarige Oorlog

In 1449 ontstond er opnieuw vijandschap tussen Vlaanderen en Engeland.

Te Sluis werden een paar galeien uitgerust. Bij gebrek aan militaire bezigheden viel de bemanning van de oorlogsschepen Vlaamse vissers lastig. Het Vrije prostesteerde op 20 mei te Sluis bij de kapitein “vanden galeyden”. Ze vroegen hem in te grijpen, opdat zijn mannen “den visschers van Slepeldamme ende Coxyde gheen overlast meer en deden, van hemlieden haren visch te nemene by fortsen”. (1)

Enkele dagen later ontmoetten de Vlaamse galeien een Engelse vloot. Deze botsing is de Vlamingen slecht bekomen. Immers op 6 juni 1449 reisden schepenen van het Vrije naar Sluis om Hertog Filips de Goede te vragen “te blivene int lant totte der tijt, dat hy hadde beter nieumare vanden Inghelschen, die ghenomen hadden de vlote” (2).

Omwille van de oorlogstoestand op zee had de Hertog bevel gegeven om overal op de kust van Vlaanderen wachtposten uit te zetten, die zouden uitkijken naar mogelijke landingspogingen van Engelse roversschepen. Hieronder volgt de ordannantie van het Brugse Vrije, die de verschillende kustsektoren weergeeft met hun respektievelijke wachtmeesters. Na de vermelding van 1404, is deze van 1419 de tweede, waarin we kennis maken met een van overheidswege georganizeerde kustwacht.

“Item ten tyde als de coopschepen van Vlaendren ende van anderen landen ghearresteert ende ghenomen waren in Inghelant ende hare schepen ende al haer goed verloren, ende men wel meende dat bydien oorloghe resten zoude tusschen den lande van Ingheland ende van Vlaendren, zoo was by onsen gheduchten heere gheordorineert, datmen alomme int Vrye anden zeecant ordoneeren zoude zekere personen vander wet weghe, de welcke daghelix toezien zouden, waken ende doen waken zekere persoonen in elcke platse by nachte te peerde. Daertoe dat gheordonneert waren tusschen der Nieuwpoort ende Oosthende Diederic van Halewyn burchemeestere ende Roelandt van Caloen. Item Jan van Boneem Burchemeesters ende Jan van Meetkercke tusschen Oosthende ende Blanckenberghe. Item Willem van Beyeren ende Pieter van Wulfsberghe tussehen Heys ende der Sluus. Thomas van den Hove, Anthuenis Lennoot, Burchmeesters, ende lacob Boudins tusschen der Sluus ende Gaternessen.

Daer omme dat zy onledich ende ghemoyt waren den tyt van veerthien nachten gheduerende, ende oock betaelt hebben de persoonen, die zy ordonneerden te wakene by daghe ende by nachte, hemlieden betaelt over haerlieden costen ende aerbeyt, te weten: Willem van Beyeren achtenveertich ponden, Thomas van den Hove, Anthuenis Lennoot, Jan van Boneem, Diederic van Halewyn, Jacob Boudins, Roelant van Caloen, Pieter van Wulfsberghe ende lan van Meetkercke, elck zessendertich ponden. III XXVI L (par)

(R.A.B. Registers Vrije nr 181 - Rek 13/9/1448 - 11/9/1449 - f° 151 v° f° 152 r°)

In 1450 was de Franse vloot blijkbaar sterker dan de Engelse. Franse kapers kruisten vóór de Vlaamse kust. Op 19 maart bespraken de Vier Leden te Gent “de zake vanden zeerovers, die daghelicx commen voor t Zwin ter Sluus” (3).

Doch Vlaanderen bezat geen oorlogsschepen meer. Men kon niets anders doen dan opnieuw te Gent vergaderen “up de zake vanden scepen van oorloghe, die doe voor 't Zwin ter Sluus laghen ende elders ande costen van Vlaenderen... omme remedie te vercrighene ieghen de voorseide scepen van oorloghe” (4).

Er werd besloten een afvaardiging naar de koning van Frankrijk te sturen.

Op 1 augustus 1450 reisden schepenen van het Vrije naar Rijsel om het verslag van de teruggekeerde afvaardiging te horen “upt faict vanden schepen van oorloghen van Diepen, die langhe gheleghen hadden voor t Zwin ter Sluus, ende elders voor tland de coopschepen beletten” (5).

We geloven niet dat de tocht van de afgevaardigden naar Frankrijk succes geoogst heeft. Immers op 14 september spraken de Vier Leden te Brugge opnieuw over “de schepen van oorloghe ligghende voor t Zwin ende remedie daer ieghens te vyndene, want zy grootelicx laghen omme de verderfvenisse vanden coopmanschepe” (6). Na deze samenkomst stuurden de Vier Leden gezanten naar Rouen. Deze laatsten, die onderhandelden “angaende den lieden van wapenen, ligghende ter zee voor t Zwin ter Sluus ende elders, toebehoorende den coninck van Vranckrycke”, brachten op 31 januari 1451 te Brugge verslag uit over hun tocht (7).

De Franse rovers maakten het waarlijk bont vóór de Zwinmonding. De Hertog kon voorlopig geen andere maatregel nemen dan een openbare bekendmaking.

Hij meldde op 16 mei 1451 aan de magistratuur van Sluis, Middelburg en Arnemuiden, dat Bretoense en andere oorlogsschepen in de Wielingen lagen. Deze loerden daar op handelsschepen, die het Zwin in- en uitvaarden. De piraten beroofden de handelsvaarders en trachtten dan het gestolene in Zeeland te verkopen. Onlangs kaapten ze een schip van Bremers, dat een lading paarden meevoerde. Het schip en de paarden werden te Vlissinge verkocht. Filips de Goede gebood om te roepen, dat het verboden was goederen van Bretoenen af te kopen. De overtreders zouden aangehouden en de goederen in beslag genomen worden (8).

Noch de Franse koning, noch de vlootautoriteiten te Rouen waren bereid om de aktie ter zee stil te leggen. Immers in de strijd tegen Engeland hadden de Fransen in de laatste jaren hun positie te land en ter zee gedurig verbeterd.

De Franse oorlogsschepen bleven de kust van Vlaanderen blokkeren. Alles wat de Vier Leden konden doen, was op 25 juli spreken “vanden roofschepen hoe men die zoude verdryven”; verder “vanden sendene anden conick van Vranckrycke, omme de roofschepen wegh te doen trecken” (9).

De Franse kapers toonden zich zo dreigend voor de kust van het Oost-Vrije dat het Vrije daar de kustwacht uitvaardigde. Schepener Jakob Boudins en Hellin van Steeland zijn op 13 september 1451 “bi laste van der camer ghetrocken in de ambochten van Ysendike ende Oostbuerch, inde prochien van Gaternessen, van Sinte Loys, van Sinte Baefs, van Sconendyke, van der Groede, van der Nieuwerkercke ende van Wulpen, omme te ordoneerde den inwonenden vanden voorseiden prochien de maniere ende ordenanche vanden wakene ieghen de brantstichters ende ander malefactuers”. De eer van Oostkamp en Anthuenis Lennoot volbrachten deze opdracht in de parochies van het Ambacht Aardenburg, nl. O.L. Vrouw, St.-Baafs, Heile, Hannekenswerve, Slpeldamme, Coxide en St.-Kruis. (10).

De Vlamingen trachtten daarna opnieuw tot een vergelijk te komen met de koning van Frankrijk. Jakob Inghel onderhandelde op 27 december met hem over de “scepen ende lieden van oorloghen, die ter zee licghen belettende tfait vanden coopmanscepe in Vlaenderen”. Ook hij kon niets bereiken (11).

De onrust op zee zette zelfs sommige Spaanse schippers aan om Vlaamse schepen aan te vallen. Schepenen van Brugge stonden op 1 augustus 1452 “ter Sluus omme te doen teliverene een bier scip, twelke aldaer ghenomen was biden Spaengnaerden” (12).

De zeehandel van Vlaanderen leed verder groot verlies zonder dat de Vlamingen het konden beletten. Wat hier in het oog springt, is de lijdzaamheid van de “gheduchten heere”. Schepenen van het Vrije en van Brugge klopten op 12 augustus bij de Hertog te Rijsel aan, om hem “te kenne te gheven diverschen neminghen, scade ende quetsen bi diverschen scepen van oorloghen, wesende zom van Vranckerike ende zom vanSpaengen, ghedaen oorts daer voren, zom inde zee voor t Zwin ter Sluus, zom in Cadzand ende elder” (13).

Deze tussenkomst verwekte geen enkele aktie vanuit Rijsel. Op 24 augustus waren de afgevaardigden van het Vrije verplicht opnieuw naar de Hertog te rijden om hem te wijzen op de grote schade geleden “vanden schepen van oorloghen daghelix voor tland licghende ende ende coopmanscepe verdrivende" (14).

Vóór de Vlaamse kust gingen de vijandelijkheden verder. Midden de verwarring bedreven enkele Vlamingen zelf een overval. De Vier Leden vergaderden op 26 september te Brugge “up de neminghe van zekeren goede ute eenen scepe commende van Andworpe toebehoorende zom Spangiaerden ende zom Vlaminghen, ende ghesoiede al binden gate vanden Zwine, ende also men zeide, zo warent eeneghe Vlaminghen, die tvoorseide goet namen” (15).

De bewoners van het Ambacht Oostburg hadden al lang begrepen dat ze zichzelf moesten helpen. Ze zouden een nieuwe taktiek toepassen, nl. in geval van ontscheping een strook land onder water zetten. Schepenen van het Vrije reisden op 3 juni 1453 “omme te bescauwene tghedelf dat die van Oostbuerchambocht beghonnen hadden t Oostbuerch bider sluus ande havene, menende den dyc duere te delvene ende twater in te latene, up dat noot ware, omme de vianden van onsen gheduchten heere daer mede te verdrynckene” (16).

Maar de achterliggende Ambachten Aardenburg en Moerkerke vreesden “den grooten grief ende quets, diere ware ghescepen of te commene”. Het kollege van het Vrije verbood toen het plan van de inwoners van het Ambacht Oostburg verder uit te voeren (17).

De Fransen behaalden in 1453 een paar grote successen te land tegen de Engelse troepen. Daardoor konden ze de Honderjarige Oorlog op succesrijke manier beëindigen. Engeland was verdreven uit al zijn posities op het vasteland, behalve Kales. Deze vlootbazis hielden ze tot in 1558 bezet.

Nota‘s

  1. Reg. Vrije nr 181, Rek 1448-49, f° 52 r°
  2. idem, idem, f° 55 r°
  3. idem, nr 182, Rek 1449-50, f° 51 r°
  4. idem, idem, f° 51 r°
  5. Reg. Vrije nr 182, Rek 1449-50, f° 54 r°
  6. idem, nr 183, Rek 1450-51, f° 15 r°
  7. idem, idem, f° 22 v°
  8. I. Diegerick, o.c. Deel III, p. 206
  9. Reg. Vrije nr 183, Rek 150-51, f° 35 r°
  10. idem, nr 184, Rek 1451-52, f° 14 v°
  11. idem, idem, f° 21 r°
  12. St Br Rek 1451-52, f° 47 r°
  13. idem, idem, f° 47 r° Reg. Vrije nr 184, Rek 3451-52, f° 45 r°
  14. Reg. Vrije nr 184, Rek 1451-52, f° 45 r°
  15. idem, nr 185, Rek 1452-53, f° 13 r°
  16. idem, idem, f° 26 r°
  17. idem, idem, f° 26 r°.

mmmmmmmmmmmmmmmmmm

9. De laatste Jaren van Filips de Goede

Er was wel vrede gesloten tussen Engeland en Frankrijk, maar de Franse oorlogsschepen ontwapenden nog niet dadelijk tegenover de Vlaamse scheepvaart.

Afgezanten van Brugge, leper en het Brugse Vrije spraken op 14 september 1453 Rijsel met Filips de Goede over de grote schade die dagelijks geleden werd op zee en in Kadzand (1). Waarschijnlijk heeft de Hertog enkele weken later bekomen dat de Fransen hun aanvallen tegen de Vlaamse schepen en de Vlaamse kust stopzetten.

In de zomer van 1454 scheen er opnieuw een gevaar te dreigen voor de Vlaamse kust. Op 9 augustus reden schepenen van het Vrije en van Brugge naar Rijsel om te kennene te ghevene de grote menichte van Inghelschen scepen van oorloghen up zee ende zom by den lande van Vlaenderen ghezien ghezijn hadden”. Zij vroegen voorzorgsmaatregelen voor het geval “zy hem poghen wilden te landene binnen den lande van Vlaenderen” (2).

Vermoedelijk verbood de Hertog daarop dat de vissers zouden uitvaren, om zodoende alle kontakt met de Engelse vloot te vermijden. Doch deze maatregel ontnam vanzelfsprekend de Vlaamse zeelieden hun broodwinning. Enkele ervan voeren toch uit en werden als gevolg daarvan aangehouden. Schepenen van het Vrije moesten er dan op uit naar Raverside, Oostende, Blankenberge “ende daeromtrent, omme zekere stiermans ende sciplieden daer ghearresteert te doen delivereerne, ten ende dat zy ter zee ende ten haringhe trecken mochten, twelke also ghesciede” (3).

De jaren 1445 en 1455 kenden overigens vrede op zee. Het Graafschap Vlaanderen onderhandelde met de koning van Frankrijk om enige vergoeding te krijgen voor de schade, die Franse roofschepen in de laatste jaren van de Honderdjarige Oorlog aan de Vlaamse koopvaardij en visserij toegebracht hadden.

Afgezanten van de Hertog bespraken op 20 december 1455 te Brugge met de Vier Leden het antwoord van de Franse koning “in de zake vanden lieden ende scepen van oorloghen langhe gheleghen hebbende vooren ende inde havene van desen lande, de welcke de cooplieden, visschers ende andere berooft ende anders rudelijke gheantiert hebben, zoo dat de coopmanschepe van desen lande zeere vervremt ende vermindert es” (4).

Zelfs vredige periodes konden niet voorbijgaan zonder incidenten tussen Vlaamse vissers en vreemde handelsschepen, vooral wanneer een koopvaarder standde. Op 18 februari 1454 voeren schepenen van het Vrije naar Kadzand om te vernemen “wie ende wat personen handelinghe ghenomen hebben ende onthouden zekere goed, verloren uut een Spaenschen scepe, twelke verdarf ende brac voor tland in tiaer 53” (5). Het Vrije en Brugge hielden op 5 maart 1456 een bespreking “omme te verappointierne de visschers van Heys, die zekere cabels ende anckers ghevischt hadden, die in de zee bleven uten scepe onlancx verdorven up den Vlaamschen Stroom, toebehoorende zeker Spangiaers, welcke visschers en Spangiaers gheschil hadden van hueren solarisse ende moyte, die de zelve visschers ghedaen hadden omme de cabels ende anckers te visschene” (6).

In 1456 teisterden opnieuw zeerovers de handelsvloot vóór de Vlaamse kust. Vooral Oosterlingen leden grote verliezen. De gevaarlijke toestand zette hen opnieuw ertoe aan om uit het Zwin weg te blijven. Ze wensten niet terug te keren, voordat de veiligheid van hun schepen verzekerd was. De Vier Leden vergaderden toen “zonderlinghe upt previlege dat dOosterlinghen begheeren van onzen gheduchten heere, ende dat de vorseide IIII leden hemlieden daerin verbinden zouden, es te wetene van te restitueerde al tghuent dat ter zee gherooft zoude werden den vorseiden Oosterlinghen, by wien dat ware, binden drie duutsche milen zees naer den lande van Vlaenderen, daer in dat eenighe dochte dat groote zwaerhede te makene was, item van II M ponden grooten, die de voorseide Oosterlinghen hiesschen over haerlieder oosten ende scaden van haerlieder laetsten vertrecke ute desen lande” (7).

Noch brieven van de Hertog, nach andere papieren maatregelen konden de Vlaamse vissers beschermen. Het Vrije besloot in het voorjaar van 1457 konvooischepen uit te rusten. Schepenen reisden op 24 mei naar Oostende “omme te sprekene metten wethouders ende visschers, vergadert wesende upt stic vanden vredscepen, die men uutreeden zoude ieghen de harync tyd” (8). Daarna sprak het Vrije met de Leden van Vlaanderen over de “roovers up de zee die de visschers beroven” (9)

De Vier Leden hielden op 10 juni te Brugge overleg om te weten wat “te doene stont teghen de zee roovers, die ghetidelike quainen voor tland tot in tZwin, groot belet doende den cooplieden ende visschers...; omboden waren de officiers ende ghedeputeerden vanden wetten vanden smallen steden anden zee cand staende” (10). Men besloot twee vreedschepen klaar te maken. Afgevaardigden van het Vrije, van Biervliet, Sluis, Blankenberge, Oostende en andere kustgemeenten vergaderden op 27 juni te Nieuwpoort om “te ghecrjghene twee vreedscepen, daerof teen ghecocht es ieghen loris Lauwerin” (11).

De twee konvooischepen waren nauwelijks klaar of er ontstond ruzie. Afgesanten van de kuststeden kwamen op 7 augustus naar Nieuwpoort om “te veraccordeerde de twee scippers vanden vreedscepen ende den visschers varende ter zee van der coste van Vlaenderen; item omme te adviseerde de maniere van den kiesene vanden veynoten, die commen zouden in de vreedscepen” (12).

Schepenen van het Vrije reden op 8 augustus naar de dagvaart te Sluis om de belangen van de vissers van kustgemeenten in het Vrije te verdedigen: “omme de visschers ende stiermans van Heys, Ralravenside ende anderen vanden Vrijen bistandichede te doene ter dachvaert, ende dienende metten anderen visschers van Vlaenderen, angaende den vreedscepen uteghestelt ende ghereet by den vorseiden visschers” (13).

De kleine afweervloot kon weinig of geen nut opleveren, zolang de stuurlieden van de twee konvooischepen onenigheid hadden. Het Vrije zond op 10 aug. afgevaardigden ‘ter Sluus metten ghedeputeerden vanden smallen steden licghende up den zeecand, omme te slutene tgheschil, dat noch uutstaende was tusschen den scippers vanden tween vreedscepen; item omme te adviseerde de maniere van der causioene, dat de vorseide scippers ende wetten van elker plecke doen zouden den stedehouder van mr Symoen de Lalain, ammirael van der zee, van dat zy niet overtreden zouden tghebod van onzen gheduchten heere” (14).

Nadat de ruzie bijgelegd was, en iedere kustgemeente trouw beloofd had aan de plaatsvervanger van de admiraal, keek men uit naar een derde konvooischip. Het Vrije en de kuststeden vergaderden op 14 augustus te Sluis, “omme te slutene hoe dat men uut reeden zoude tvreetscip, dat noch ter Sluus leicht, daer of dat de Lapper scipper gheodeneert es” (15).

Anderzijds wilden de vissers van het Brugse Vrije het niet meer beleven dat hun kollega’s van het Westland hun aandeel niet leverden in de uitrusting van de konvooischepen. De kuststeden en het Vrije onderzochten op 29 augustus te Nieuwpoort ”hoe dat men innynghe hebben zal van die van Duunkercke, van hueren porcie vanden vreetscepen, ende dat men ordeneeren zoude te zendene by wet van Veurnambocht, omme te hebbene de innynghe vanden visschers van Odenkerke” (16).

De bijdrage bestond daarin dat iedere visser een deel van de opbrengst van de haringvangst zou afstaan voor het onderhoud van de vreedschepen. Na het haringseizoen reisden op 19 december 1457 schepenen van het Vrije naar Nieuwpoort, om samen met afgevaardigden van Nieuwpoort, Sluis en andere kustplaatsen “te ontfanghene, binnen desen iare gebrocht binnen de havene van der Nieuwpoort, ten ende dat men daer of ontfanghen mochte de portie vanden costen vanden vreitscepen, gheordeneert omme de bewaernesse vanden visschers van Vlaenderen” (17)

De bescheidene oorlogsvloot van de Vlamingen was echter maar half opgewassen tegen de kaperschepen. Om die reden trachtten de Vier Leden meer steun van de Hertog te krijgen. Ze vroegen hem op 25 april 1458 te Gent “provisie up de zeerovers ligghende upten Vlaemschen Stroom”(18). Gedurende het volgende haringseizoen werden de Vlaamse vissers opnieuw begeleid door de vreedschepen. Op 4 december kwamen de zeesteden en het Vrije samen te Oostende “om te hoorne de rekenynghe vanden costen ghedaen ter cause vanden vrydscepen, up ghestelt nu in dit saysoen van der harynctyt in dit iaer biden visschers, varende uut Vlaenderen te haringhe” (19).

In de eerder rustige periode 1458-1464 ontmoeten we twee afzonderlijke gevallen van kaperij. Een schepen van Brugge reisde op 14 september 1458 naar Amsterdam “up stic van eenen oosterschen scepe van Pruussen, dat ghenomen was commende ter Zwene waert by eenen scippere van Aemsterdamme” (20). Het was immers van groot belang de Oosterlingen niet te ontstemmen. Brugge zond op 17 januari 1459 een gezant naar Brussel om te vernemen wat er te doen stond “up de zaken van eenen scippere van Rouaen, die ghenomen hadde Ynghelschs (sic) goedt, ende was ghevanghen ter Sluus” (21).

Na het stichten van de Orde van het Gulden Vlies, wilde Filips de Goede een gans bijzonder plan uitvoeren. Hij zou een kruistocht naar Palestina ondernemen. Tot dan toe had hij weinig aandacht besteed aan de bescherming van de Vlaamse zeevaart door middel van oorlogsschepen. Maar in 1464 rustte hij te Sluis 12 galeien uit, die hij met 330 Gentenaren bemande. Met deze vloot is hij tot Marseille gevaren (22).

In 1465 ontstond tussen Lodewijk XI, de pas gekroonde koning van Frankrijk, en Filips de goede, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen, een oorlog genoemd de oorlog van de “Ligue du Bien Public” (23). De strijd verliep niet alleen te land. De Franse koning schakelde algouw het zeefront in. Hij liet zijn schepen de Vlaamse vissers aanvallen.

Het Vrije was verplicht naar afweermiddelen te zoeken. Schepenen begaven zich op 12 juni 1465 bij de Heer van Middelburg “omme hem te kennen te ghevene, hoe zekere visschers van Lombaerdsyde ende van Walravenshyde smaendachs daer te voren (8 juni), verooft, ghevanghen ende gheranchonneert ghesyn hadden ende zom wech ghevoert waren bi eenighen, hem zegghende Franchoisen, ende dies last hebbende van sconyncx weghe”. Alle samen zochten zij middelen om de gevangene vissers vrij te krijgen “ende behoorlike remedie ieghen den toecommenden tijd” (24).

Als gevolg van de bespreking te Middelburg gingen afgevaardigden van het Vrije, van Brugge en van Gent de volgende dag naar Sluis om “te sprekene met cooplieden ende scippers van Vranckeryke”. De afgezanten trachtten de Franse handelaars in te zetten, om de vrijheid van de weggevoerde Vlaamse vissers en schadevergoeding te verkrijgen, “ten welken de vernoemde cooplieden ende scippers van Vranckerike niet condescenderen ne wilden’, zodat als tegenmaatregel op verzoek “van vrienden ende maghen vanden vornoemden ghevanghenen ejide beschadichden huere zeilen ende roevers ghenomen waren” (25).

Daarna begonnen de Franse roverschepen ook Zeeuwse vissers aan te vallen.

Het graafschap Vlaanderen besloot vreedschepen uit te rusten. Met dit doel hielden de Vier Leden op 19 juli te Brugge een vergadering met afgevaardigden van Zeeland en met vissers en schippers “up de zake vanden vreedscepen, die de vorseide ghedeputeerde van Zeeland ende visechers van Vlaenderen verzochten upghestelt ende ute ghereedt te hebbene, teghen de Franchoisen ende anderen, die de visschers zouden moghen berooven” (26).

Ondertussen waren te Sluis en in andere havens Franse kooplieden als gijzelaars vastgehouden. De Vier Leden onderhandelden op 21 juli met hen te Sluis in een poging om de gevangene Vlaamse vissers “costeloos ende scadeloos” vrij te krijgen (27). Op dezelfde dag onderzocht men te Gent de toestand, en ging men na welke maatregelen moesten genomen worden om verder de vissers te beschermen, en om de oorlogsdreiging vanuit Frankrijk af te weren (28).

Het Brugse Vrije wou een kleine oorlogsvloot uitrusten. Daarom sprak het op 27 juli te Brugge over de “vreedscepen, die men ooc ordineren zoude ter bewaernesse vanden vorseiden lande” (29). Het Vrije trachtte ook de verdediging van de kust te organizeren. Schepenen handelden op 29 september te Gent met de andere drie Leden over het feit “dat de Franchoisen hemlieden bereeden omme byder zee den lande up te commene ende schade te doene” (30).

Na de laatstgenoemde vergadering riep het Vrije de parochies van het Noord-Vrije op om de wacht langs de kust te houden. De hoofdmannen van de aangezochte parochies wensten eerst inlichtingen, en richtten daarom vragenlijsten aan het Vrije. Drs. L. Danhieux behandelt een paar van de bedoelde lijsten. De interessantste vragen stammen van de hoofdmannen van Westkapelle en van Knokke. Deze gemeenten, gelegen op de westoever van het Zwin, waren het minst beschermd. Ze vroegen dat de mannen van Oostkerke, Dudzele en Ramskapelle naar de schorrevlakte van het Hazegras zouden komen “aenghesien dat ten Azegarse es goet om landen, ende es een groot ruum land ende blood van huusen, ende ooc Vlaenderen noeit last en adde vander zee te dien cante, zy quamen ten Azegarse an land”.

Men zou te Knokke wacht houden “up den tor” en “up thoochste van de duunen ... item voort dat men waken sal met twee peerden, een van Knocke ende van Waescapelle, om tallen ghetiden te ridene upt water, daer te wat schepen datter huut of in seilen, mids dat voorland zeere breed es vanden watere tooten dycke”.

Heis bezat genoeg bevolking om alleen zijn streng te trekken. De hoofdmaanen van Knokke en van Westkapelle schreven immers: “item, te wetene dat si trecken met sterker wake te Heys ende dat daer gheen nood es, ende sitten by een, ende die wake ten gate waert, vander zee can nieten commen”.

Dhr. L. Danhieux haalt de bovengenoemde rapporten uit het ferieboek van het Brugse Vrije (1464-65), Reg. Vrije nr 16597 bis, en stelt deze in december 65 (31), een datum die goed overeenkomt met de vroeger aangehaalde teksten uit de rekeningen van het Vrije, 1465 en 1465-66.

Nota's

  1. Reg. Vrije nr 185, Rek 1452-53, f° 33 r°
  2. Eeg. Vrije nr 186, Rek 1453-54, f° 36 v°
  3. idem, idem, f° 28 v°
  4. idem nr 188, Rek 1455-56, f° 22 v°
  5. idem nr 187, Rek 1454-55, f° 25 r°
  6. idem nr 188, Rek 1455-56, f° 27 r
  7. idem nr 189, Rek 1456-57, f° 15 v°
  8. idem, idem, f° 23 r°
  9. idem, idem, f°23 r°
  10. idem, idem, f° 23 v°
  11. idem, idem, f° 34 r°
  12. idem, idem, f° 35 r°
  13. idem, idem, f° 26 v°
  14. idem, idem, f° 26 v°
  15. idem, idem, f° 27 r°
  16. idem, idem, f° 35 r°
  17. idem nr 190, Rek 1457-58, f° 16 r°
  18. idem, idem, f° 17 r°
  19. idem, idem, f° 20 r°
  20. Cham Comptes nr 32511, St Br Rek 1458-59, f° 24 r°
  21. idem nr 32512, St Br Rek 1459-60, f° 27 r°
  22. Geschied. Vlaanderen, Van Roosbroeck, III p. 192
  23. Drs. L. Danhieux, Kustwacht bij het Hazegras in 1465, Rond de Poldert. 3e jaar, nr 2 p. 57
  24. Reg. Vrije nr 200, Rek 1464-65, f° 28 v°
  25. idem, idem, f° 28 v°
  26. idem, idem, f° 29 r°
  27. idem, idem, f° 29 v°
  28. idem, idem, f° 31 r°
  29. idem, idem, f° 30 r°
  30. idem nr 201, Rek 1465-66, f° 38 v°
  31. Drs. L. Danhieux, a.c. p. 60.

De verdediging van de kust van Noord-vlaanderen vanaf 1300 (Deel 2)

Maurits Coornaert

Rond de poldertorens
1970
01
027-037
Eddy De Baere
2023-06-19 14:38:19