Zwanen en andere Vogels in het Oud Regime

Maurits Coornaert

1. Enkele heerlijke rechten

In de middeleeuws maatschappij bestond er een klasse mensen, die vanwege het staatshoofd enkele rechten in leen kregen, en die men “heren” noemde. Het geheel van de feodale rechten, die een bepaalde heer bezat, en het gebied waarin die rechten golden, waren precies afgebakend, en werden een “heerlijkheid” geheten. B.v. de heerlijkheden Uitkerke en Oostkerke bestreken respectievelijk de Ambachten Uitkerke en Oostkerke. De meeste feodale rechten zijn gedurende het gehele Oud Regiem blijven bestaan, en werden pas door de Franse Revolutie afgeschaft.

Gilliodts brengt de leenrechten bij groepen onder. Zo ziet hij een aantal “heerlijke” rechten die voortspruiten uit het bezit van een leengoed. Daaronder zijn er 13 die hij “banale”(1) rechten noemt (2). Deze gaven aan de Heer het recht om, ofwel binnen zijn heerlijkheid van bepaalde openbare (banale) zaken gebruik te maken, ofwel de bewoners van zijn heerlijkheid tot bepaalde diensten te verplichten. Hieronder vatten we de 13 banale rechten kort samen. Af en toe vullen we de gegevens van Gilliodts met eigen bevindingen aan.

A. Het Marktrecht

De Heer hief een tol op de goederen, die naar de markt binnen zijn gebied gebracht werden, De Heerlijkheid van het Proostse, dat toebehoorde aan de Proost van St.-Donaas te Brugge hield op 24 juni een paardenfoor te Jabbeke. Daarnaast hadden vooral handelssteden het marktrecht verworven. Brugge bezat een veemarkt en een paardenfoor, De runderen en de paarden uit de streek rond Brugge moesten naar de verkoopplaats binnen de stad gedreven worden.

Einde 1655 verkocht de stokhouder (openbare verkoper) van het Brugse Vrije enkele dieren te Koolkerke, op de wijk Ter Panne, precies buiten de paalgrens: van Brugge. Het stadsbestuur protesteerde op 2 april bij het Vrije, dat de genoemde persoon “ter panne onlanx hadde vercocht by den stocke coyen, peerden ende andere coopmanschepen, contrarie de ‘privilegien van de stadt”(3). Nadat het Franse revolutionaire bewind het Oud Regiem afgeschaft had, poogden de boeren, o.a. in 1799 en 1821 aan de bovengenoemde verplichting te ontsnappen door, te St.-Pieters-op-de-Dijk, zelf een veemarkt te houden (4).

B. De Jacht

Niemand anders dan de Heer mocht jagen binnen zijn gebied. Vooral hazen en konijnen werden gevangen. Gilliodts vermeldt het jachtrecht van o.a. de Heren van Lissewege, Dudzele, Meetkerke en Assebroek, Het jachtrecht van de Heer van Uitkerke wordt omschreven als volgt: ”de vrye voghelrye en de pertrycerie midsghaders de jacht binnen de gheheele heerlichede van Uutkercke" (5) .


In de gewesten waar het jachtrecht niet aan een plaatselijke Heer uitgeleend was, daar hield de Opperjager toezicht op het wild.  In de duinen stelde de Graaf de Opperduinheerder als jachtwachter” (6).

C. Het Visrecht

Het ging vooral om de palingvangst in de openbare waterlopen. Gilliodts verwijst naar de Heer van Kalvekete, die het’ visrecht op het Oud Zwin, van Eiebroek te Oostkerke tot in zee, bezat. De Heer van Meetkerke hield de palingvangst in de sluis van de Blankenbergse Watering (7). De Heer van Koudekerke bezat “de palyncksate ... wesende de gherechte visscherie op all ghebanne wateren” in geheel de Oudemaarspolder (8).

D. De Vogelvangst

De vogels werden gevangen met netten, met afgerichte valken en sperwers. De Opperjager had de valkenjacht uitgeleend aan de Oppervalkenaar. Deze laatste had het recht om van de  bevolking een aantal hennen op te eisen (9). Aangezien vooral patrijzen gejaagd werden, noemde men de “voghelrie” dikwijls de “pertrisserie”.

St.-Donaas bezat de patrisserie op de gronden, die in het Brugse Vrije onder de heerlijkheden Proostse en Kanonnikse vielen. Dit recht ging later naar het bisdom Brugge over. De patrisserie was, voor zover die binnen de Ambachten Lissewege, Dudzele en Oostkerke viel, in 1672 verpacht aan Karel van Eenderhooghe tegen “12 coppels pertrissen tsjaers”. Joos Vandendorpe nam de pacht over tegen 8 paarpatrijzen (10).

Bij de heerlijkheid Kleihem te Zuienkerke behoorden, naast andere goederen, de volgende rechten: “de voghelrie, zwanerie, ende visscherie vanden ambachte van Zuwenkercke, midsgaders een mote ende meulenwal groot XXXIII roeden lands of daeromtrent, metter wintmuelne daerup staende int ambocht ende prochie van Meetkercke” (11).  Zie boven de vogelrie van de Heer van Uitkerke.

E. De Zwanerie

Stond onder het toezicht van de Groot Zwanier. Het recht om zwanen te houden en te vangen was op verscheidene plaatsen uitgeleend, o.a. aan de Heren van Middelburg, Moerkerke, Assebroek, Tillegem, Praat, Straten; ofwel verkocht, b.v.
aan de stad Brugge. Pieter Bladelin, Heer van Middelburg, kocht in 1451 “de visschery en de helft der zwanery van ‘t goed gezeid Boonem” (12). Het Hof van Bonem bevindt zich ten zuidoosten van Damme. In de volgende twee paragrafen zullen we de zwanerie in het algemeen, ende zwanen van Brugge in het bijzonder bespreken.

F. Het Hondenrecht

De onderdanen moesten onderdak en voedsel verschaffen aan de jachthonden van de Heer. Daartoe leverden ze een bepaalde hoeveelheid “hondenbroot”. De Opperjager bezat het recht om het hondenbrood op te eisen in de gewesten, waar het jachtrecht niet aan de plaatselijke heren uitgeleend was, ofwel hij verpachtte het genoemde recht. Het verzamelen van het hondenbrood veroorzaakte dikwijls incidenten met de bevolking. Daarom kocht het Brugse Vrije in 1661 "‘t recht van ‘t hondebroot” af (13).

G. Het Duivenrecht

Sommige Heren hielden duiven. Deze  voedden zich op de omliggende velden. Bij leengoederen, waar de Heer het duivenrecht bezat, bouwde men een toren waarin die vogels nestelden. Thans staat nog een duiventoren op de kasteelhoeve Groene Poort te Koolkerke, op de oostzijde van de Dudzeelse Heerweg (14).

H. Het Weiderecht

Het recht om vage gronden, “wastine” of  “velt”, geheten, te beweiden. Gilliodts vermeldt in dit verband het Maldegemveld, het Berverhoutsveld en de Gemene Weide te Assebroek. De laatsgenoemde twee terreinen behoorden echter, voor zover we weten, aan een aantal gemeenschappelijke eigenaars. We vermelden verder de Gemene Weide te Dudzele (15), en de “ettynghe” van “de Evendijk, een achterleen van het Hof van Koudekerke, dat aan de leenhouder het recht gaf de Evendijk te beweiden van Uitkerke tot Heist (16).

I. Het Maal- en Ovenrecht

De wind, en het water behoorden aan de Heer. De onderdanen moesten zijn molen - eerst waren het watermolens, daarna ook windmolens - en in sommige streken ook zijn bakoven gebruiken. De Watergraaf van Vlaanderen hield toezicht op de uitoefening van het maalrecht (17). De Heer van Uitkerke bezat “de vrye molagie” in zijn gehele gebied, ook binnen de stad Blankenberge (18). In het Ambacht Dudzele behoorde het molenrecht aan de Heer van Dudzele (19).

Zoals gezegd hield de Watergraaf toezicht op de wind- en de watermolens van het graafschap Vlaanderen. Maar in het midden van de 16e eeuw begonnen sommige boeren rosmolens te bouwen; Heel wat graan werd op de hoeve zelf gemalen, en niet meer naar de bestaande windmolens gebracht. De Watergraaf trachtte dit te verhinderen. In 1581 kloegen enkele ingezetenen van het Vrije “vanden moleste hemlieden ghedaen byden watergrave van Vlaendren, hemlieden afnemende de muelenysers van huerlieder rosmuelens”. Het schepencollege besloot bij het Landsbestuur te vragen “octroy generael voor tlandt vanden Vryen, omme rosmuelens te moghen ghebruucken” (20).

J. Het Waterrecht

Het recht om de waterlopen als verkeersweg te gebruiken. We zien dat in het noorden van Vlaanderen de Graaf de bevaarbare waterlopen onder zijn bewind hield. Hij had een baljuw aangesteld die het waterrecht, d.i.  het vaarverkeer, op het Zwin kontroleerde. De wateerbaljuw was te Mude gevestigd.

In sommige gevallen leende de Graaf zijn waterrecht uit. Brugge verkreeg vrije vaart op de kanalen die de stad met het Zwin verbonden, b.v. het Oud Zwin en de Damse Vaart. Brugge beschikte ook over het water van de Brugse Leie en haar bijrivieren (21).

leper verwierf voorrechten bij het varen op de Leet tussen de IJzer en Schipstale (22). De Graaf schonk het sas op het zuideinde van de Lisseweegse Watergang aan de monniken van Ter Doest (23).

K. Het Mijnrecht

In Vlaanderen werden geen steenkolen of andere delfstoffen gevonden. Gilliodts zegt niets over het turfdelven. We denken niet dat het uitvenen onder de heerlijke rechten viel, maar de uitbaters moesten een vergunning aanvragen. Zo zien we dat het schepenkollege van het Vrije in 1431 toestond aan eigenaars “dat zij moghen ute delven 18 roeden daryncx lands” in een perceel te Heist, maar dat ze “ghehouden zijn 't land weder te slichten” (24).

L. Het Bosrecht

De Heer had recht op de opbrengsten van het bos, nl. het brandhout en de afvallende boomvruchten. Met de eikels werden zwijnen gevoederd. Het bosrecht had uiteraard weinig betekenis in de polders.

M. “Droits de banvin; taureau, verrat, forge”

d.i. het recht om het begin van de wijnoogst te bepalen; de verplichting om de stier, de beer (mannetjesvarken) en de smidse van de Heer te gebruiken. Het bedoelde recht kwam vanzelfsprekend niet te pas in het Brugse Vrije. De zojuist aangehaalde verplichtingen hebben we in onze streek nog nergens ontmoet.

Nota’s

  1. De term “ban” bedoelde: een openbaar, algemeen bevel vanwege de Heer van het land. Gebannen (banaal) = openbaar afgekondigd; betekent verder: officieel, behorend tot de gemeenschap.
    2. L. Gilliodts van Severen, Cout. Bourg de Bruges, II, p. 371-459.
    3. RAB, Reg. Vrije, Rezoluties 1654-65, f° 32 r°.
    4. M. Coornaert, St.-Pieters-o-d-Dijk, p. 194 ‘n 196.
    5. M. Coornaert, Uitkerke, p. 82.
    6. M. Coornaert, Wolven en ander ongedierte in het Brugse Vrije, Rond de poldertorens, 10e jaar nr. 2, p 77-80.
    7. Coornaert St.-Pieters, p. 222.
    8. Coornaert, Koudekerke-Heist, p. 60.
    9. Coornaert, Wolven…, p. 77-80.
    10. Arch. Bisdom Brugge, Verpachting Goederen 1683-85, f° 5 v°.
    11. RAB, Burg Brugge, Reg. Nr. 1, f° 143 v° (1468).
    12. K. Verschelde, Geschiedenis Middelburg, p 33.
    13. Coornaert, Wolven..., p. 77-80.
    14. W. Wintein, in Rond de Poldertorens 7e jaar Nr. 1, p 8. Zie nr. 24 op de kaart van Koolkerke.
    15. W. Wintein, R.d.P. 9e jaar Nr. 1, Kaart van Dudzele.
    16. Coornaert, Koudekerke-Heist, p 60.
    17. G. Vandepitte, Oktrooi v.h. bouwen van een korenwindmolen te Dudzele 1658, R.d.P. 15e jaar Nr. 4, p. 115.
    18. Coornaert, Uitkerke, p. 81-82, met meer details.
    19. R. De Keyser, De molen van Ter Panne, R.d.P. 15e jaar Nr. 4, p. 120.
    20. RAB, Reg Vrije,Rezoluties 1580-83, f 36 r°
    R. De Keyser, Rossekoten te Oostkerke, R.d.P. IIe jaar Nr. 4 p 140-143.
    21. M. Coornaert, Bijdrage tot de hist. geogr. v.d. streek rondom Brugge, Hand. Maatsch. Geschiedenis Gent, deel 21, p. 11, 12, 19-23 (1967).
    22. Coornaert, St.-Pieters, p. 44
    23. Coornaert, St.-Pieters, p. 107
    24. RAB, Reg Vrije, Ferien, f° 224 v°

2. De Zwanerie

In het Oud Regiem bestonden ontelbare reglementen en verordeningen van alle slag. Geen wonder dat de bevolking die wetten niet allemaal onderhield, en dat sommige reglementen helemaal in verval geraakten. Het was nodig dat de overheid af en toe de wet openbaar verkondigde. De Keuren van het Brugse Vrije werden op 11 nov. 1542 opnieuw gepubliceerd; art. 20 voorzag een boete van 10 rond par. “van zwanen eyeren te nemene of zwanen doot te slane” (1). Deze verordening gold ook voor het Proostse (2).

Ondanks alle verordeningen ging men verder met het schieten en roven van zwanen. De “Watergrave ende moermeestre” van het graafschap Vlaanderen (3) drong bij de Raad van Vlaanderen aan, opdat die tegenmaatregelen zou nemen. Hij wees erop dat Karel V, als Graaf van Vlaanderen, het recht bezat “te moghen hebben, houden ende bevryden zwanen inde rivieren ende andere ghemeene ende publicke plaetsen ende wateren binnen den zelven onsen lande van Vlaendren”, maar dat toch velen zich veroorloofden “de zelve te schieten, vanghen, verjaghen, huere eyeren ende jonghe te nemene ende berooven”.

De Raad van Vlaandern publiceerde daarom op 24 december 1545 en plakkaat, dat verbood “te vanghene, nemen, schieten met bussen, boghen ofte andre instrumenten, eeneghe zwanen ons toebehoorende, tzy jonghe ofte oude, ofte oock de jonghen te berooven ofte perturbeeren, ofte hueren eyeren mitsgaders heuren nesten.” Als straf werd een boete van 12 pd. par. gesteld (4).

Ook het bedoelde plakkaat veranderde weinig of niets aan de bestaande toestand. Op 9 juni 1550 verzocht het schepencollege van het Vrije, vanwege de Rekenkamer van Rijsel, een “boete ghestelt 't hebbene upde transgresseurs, die zwanen vanghen of schieten inde moer van Meetkercke” (5). De inwoners van Vlaanderen werden op 31 aug. 1613 nogmaals aan het zwanenrecht herinnerd: “verbieden oick eeniegelyck te schieten, of 't in eenigher wanieren te stooren de swaenen, die vergaederen in.plaetsen daer toe by ons ende onse voersaeten, geordineert, diemen noempt swaenendriften” (6).

Veel dichters hebben in ontroerende verzen hun bewondering uitgedrukt voor de vogel, die zo statig op het water drijft. A. Schouteet wijst erop dat vroeger veel herbergen en brouwerijen de naam Zwaan droegen. Hij verwijst naar de vroegere brouwerij Drie Zwaantjes, gelegen tussen de Jeruzalemstraat en de Kort Rijkepijndersstraat te Brugge, waarop een gevelsteen met drie zwanen prijkt; naar de brouwerij de Zwaan, naast de herberg Gouden Hoorn op het Simon Stevenplein te Brugge, met een gebeeldhouwde zwaan (7). K. de Flou, deel 18, 779-807, kent in geheel Westelijk Vlaanderen ongeveer 100  herbergen en brouwerijen, die de Zwaan genoemd werden, of nu nog die naam bezitten.

Nota’s

  1. L. Gilliodts van Severen, Cout. Franc de Bruges, deel l, p. 796.
  2. L. Gilliodts, Cout. Prévoté de Bruges, p. 456.
  3. Deze persoon was waarschijnlijk ook “Groot Swaenier van Vlaendren”, zoals zijn opvolger in 1685. Zie de nota van J. Rau in Rond de Poldertorens, 15e jaar Nr. 4, p. 119.
  4. SAB, Hallegeboden 1542-53, f° 207 r°.
  5. RAB, Reg. Vrije 16611, Ferien 1545-50, f° 468 r°.
  6. L. Gilliodts van Severen, Cout. Bourg Bruges, deel 2, p. 408.
     
  7. A. Schouteet, Brugsche Courant, 21 mei 1947. A. Vanhoutryve, Bibliografie van de geschiedenis van Brugge, p. 708, vermeldt 9 artikels over de Brugse zwanen van de hand van verschillende schrijvers, die meestal bij de legende van Pieter Lanchals terechtkomen.

     

3. De Zwanen van Brugge

In de oorlog tussen Brugge en Maximiliaan van Oostenrijk was Pieter Lanchals, schouteet van Brugge, een van de voornaamste partijgangers van de Aartshertog. Daarop werd hij in 1488 door de Bruggelingen terechtgesteld. Maximiliaan heeft de stad in 1490 tot overgave gedwongen en streng gestraft. Later ontstond de legende dat de straf o.a. de volgende bepaling inhield: de Bruggelingen werden verplicht zwanen te houden, omdat ze Lanchals gedood hadden  A. Duclos heeft erop gewezen dat dit verhaal op geen enkele grond van waarheid rust, en dat Brugge reeds lang voor 1490 zwanen hield (1). De legende steunt op het volgende. Het volk zag in de naam Lanchals een verband met de lange nekken van de Brugse zwanen. De rekeningen van de stad Brugge bewijzen alleszins dat er voor P. Lanchals zwanen op de reien zwommen.

De oudste ons bekende vermelding dat er zwanen op de Brugse wateren zwommen, dateert uit 1403. In sommige winters liet het stadsbestuur deze vogels uit het water halen. Deze karwei werd verricht door die stadswerklieden die als taak hadden de straten en de waterlopen schoon te houden. Die mannen verwijderden de lijken van personen, die op straat gestorven of doodgestoken waren. Ze visten ook allerlei dierenkrengen uit de reien.

  • De bedoelde werkjes staan in de stadsrekening onder de rubriek “huutgheven van ghemeene’ zaken” geboekt. De betrokkene werklieden worden daar dikwijls “gardin” geheten (2). Hieronder geven we de posten aangaande het onderhoud van de zwanen, voor zover we die in de Brugse stadsrekeningen (3) gevonden hebben.
  • 1403-04, f° 114 r°:”ghegheven Mase den Mol, van achte zwanen, die hem waren ghedaen vanghen in de veste:, ter stede bouf (=ten behoeve van de stad), van elken sticke IIII grote”, samen 2 sch. 8 gr. (4).
  • 1425-26, f° 87 v°:”Thomase den Mol, van XII zwanen te vanghene, bi bevele van buerchmeesters, binnen desen iaere”, 5 sch.gr.
  • 1429-30, f° 79 v°:”van zekeren zwanen te doen vanghene binnen desen iare”, 4 sch. 2 gr
  • 1430-31, f° 85 r°: idem 3 sch. 2 gr.
  • 1432-33, f°, 87 r°: idem, 3 sch. 2 gr.
  • 1442-43, f° 65 v°: ”Roegiere Bone, den gordyn, van dat hi de zwanen spysde in de veste bin der tyde vanden vorste” 6 sch. gr.
  • 1444-45, f° 56 r°: ”Rogiere Bone, vanden zwanen te spisene vandertyt dat de vesten ghevrosen waren, binnen jare”, 16 gr.
  • 1445-46, f° 53 v°: ”den ghesellen die de zwane vynghen”, 20 gr.
  • 1447-48, f° 46 v°: ” vanden zwanen te vanghene”, 2 sch. gr.
  • 1448-49, f° 61 r°: ”Janne Kellewaerde, van hotters ende zwanen te vanghene binnen desen iaere”, 7 sch.gr. (5).
  • 1449-50, f° 64 v°: ”Ianne Kellewaerd, vanden zwanen te vanghene binnen desen iare” 7 sch. gr.
  • 1452-53, f° 47 v°: ”den deken vanden mueraers, vanden zwanen te vanghen mde stede vesten” 23’ gr.’(6)..”
  • 1453-54, f° 51 r°: ”Ian Bueterbroot ende zinen ghezellen, vanden zwanen te vanghene”, 1 sch. gr.
  • 1459-60, f° 41 v°: ”Jorisse vander Spinette, vande zwanen te vanghene, der stede toebehoorende” 3 sch. gr.
  • 1463-64, f° 51 v°: ”den gordynen van deser stede, vande zwanen te vanghen te inde vesten ende wateren van deser stede”, 10 sch. 8 gr.’
  • 1464-65, f° 52 v°: idem, 5 sch. gr.
  • 1466-76, f° 54 V°: idem, 6 sch. 4 gr.
  • 1467-68, f° 72 v°: idem, 5 sch. 8 gr.
  • 1468-69, f° 103 r°: idem, 5 sch. 8 gr. ‘
  • 1469-70, f° 117 r°: ”Pieter van Langhendonc ende Roegier van Wimerbeke, van XIIII zwanen te vanghene inde veste ende wateringhe van dese stede”, 4 sch. 8 gr.
  • 1470-71: f° 129 r°: idem, 23 zwanen, 7 sch. 8 gr.
  • 1471-72: f° 123 v°:”Pieter, Nonay ende Rogier van Wimerbeke, gardinen, over haerlieder pine ende aerbeyt van ghevanghen thebbene XXI zwanen inde veste van deser stede”, 7 sch. gr.
  • 1472-73, f° 131 v°: ”Rogier van Wimerbeke en Jan Persyn, 14 zwane, 4 sch. 8 gr.
  • 1473-74, f° 140 v°: R. van Wimerbeke en Jan f. Clais, 10 zwanen, 3 sch. 8 gr.
  • 1474-75, f° 142 r°: zelfde personen 16 zwanen, 5 sch. .4 gr.
  • 1475-76, f° 141 v°: idem, 14 zwanen, vanden sticke IIII gr.
  • 1478-79, .f° 173 v°: ”R. van Wimerbeke ende zinen medegheselle” 5 zwanen’, 5 sch. gr. “Der vrauwe Orensen, vanden voorseiden zwanen eenen zekeren tyd te houdene ende te bewaerene”, 4 sch.gr. “Victoor uten Kelnare, den trompetmakere, van zekere latoenen (7) halsbanden by hem ghemaect om de voorseide zwanen”. 2 sch. 6 gr.
  • 1479-80, f° 157 v°: R. van Wimerbeke en zijn gezel “vanden zwanen ghevanghen thebbene” 5 sch. gr.
  • 1480-81, f° 180 r°: dezelfde personen “vanden zwanen ghevanghen thebbene...niet”.
  • 1504-05, f° 114 v°: ”vier ghezellen over tvanghen van zekere zwanen inde vesten van deser stede” 20 gr.
  • 1507-08, f° 96v°: ”Jan van Hende, ter cause ende over zyn moyte van ghevanghen thebbene zekere zwanen inde vesten”, 2 sch. gr.
  • 1510-11 f° 98 r°: ”Jan de Froutre, over tonderhouden van twee zwanen, dese stede toebehoorende, den couden wyntre lanc gheduerende, 4 sch. gr.

We vinden de post “zwanen” in 30 rekeningen van de gehele 15” eeuw. In het eerste kwart van die eeuw komt er een tamelijk grote leemte voor; verder zijn er in het midden van de eeuw een drietal korte tussenpozen. Toch geloven we niet dat Brugge in de bedoelde perioden geen zwanen hield. De reden waarom de vogels niet onder dak gebracht werden, moeten we voor bepaalde jaren zoeken. in de zachte winter, en voor de periode 1404-1425 ook in de onvoldoende belangstelling. Alleen in zeer strenge winters, nl. waarin de zwanen absoluut geen open water en geen groenvoeder konden bereiken, werden de zwanen door de stadsarbeiders binnengehaald en verzorgd.

Wanneer men de bovenstaande vermeldingen overloopt, dan springen enkele feiten in het oog. Tussen 1426 en 1469 noteert de stadsontvanger niet hoeveel zwanen er gevangen werden. Maar vanaf 1469-70 maakt hij de bedoelde post voor ons interessanter door het getal te vermelden. Ondertussen worden de zwanen vanaf 1463-64 een vaste post in de stadsrekening, en ze blijven daar tot en met 1479-80. De post “zwanen” brengt echter in 1480-81, geen uitgave meer mee, en verdwijnt daarna tot 1504-05 uit de rekeningen.

Vanwaar dit langdurig stilzwijgen aangaande de Brugse zwanen? We zien dat na 1475-76 het aantal vogels tamelijk snel vermindert. ‘Verschillende oorzaken kunnen daartoe bijgedragen hebben: jongen geroofd door ongedierte, eieren of volwassen vogels gestolen, een ziekte onder de dieren.

Naar onze mening waren er te Brugge geen zwanen, toen de stad in 1490 wegens de opstand tegen Maximiliaan gestraft werd. In de eerste jaren na de bedoelde oorlog hadden de Bruggelingen met zwaardere problemen te kampen, bv. de gevolgen van de oorlog, de toenemende verslibbing van het Zwin. Wanneer in het begin van de 16e eeuw, opnieuw zwanen op de Brugse waterlopen verschenen, dan waren de vroegere dieren door de meeste mensen vergeten. Ten gevolge daarvan kon bij de bevolking de gedachte ontstaan dat de stad begonnen was zwanen te kweken om de dood van Pieter Lanchals uit te boeten, te meer omdat het wapenschild op zijn grafmonument in de O.-L.-Vrouwkerk drie zwanen vertoont.

Na 1510-11 zochten we verder naar de post “zwanen”. Omdat we die niet meer vonden, maar toch niet konden geloven dat Brugge na 1510-11 geen zwanen meer had, hebben we de rubriek “algemene zaken” tot en met de rekening 1561-62 nagekeken. Het jaar 1562 levert immers een uitstekend bewijs dat er nog steeds zwanen op de Brugse wateren dreven. De kaart van de stad Brugge, gepubliceerd in 1562 door Marcus Geeraerds, toont een aantal zwanen met hun jongen op de dubbele vestingsgracht, en twee volwassen dieren op het Minnewater. Waarschijnlijk zwommen er, wegens het drukke verkeer, geen zwanen op de andere sektoren van de stadsreien.

Hoe verklaart men dan het feit dat de stadsontvangers de zwanen niet meer in hun rekeningen vermelden? De meest aannemelijke uitleg voor dit stilzwijgen is, dat de karwei “zwanen vangen” na 1510 als een vaste taak aan de stadswerklieden, “gardinen” of “muedderaers”, toevertrouwd werd, en bijgevolg niet meer moest gespecifieerd worden. Hoe dan ook, thans zien ieder jaar duizenden toeristen de Brugse zwanen statig en majestueus op de reien drijven.
Brugge bezit nog het zwanenrecht!

Nota’s

  1. A. Duclos, Bruges Histoire et Souvenirs, p. 256.
    2. Verwijs-Verdam, deel II, p. 2071: gardin, gordin, nl. het Franse woord gardien, wachter of knecht.
    3. Stadsrekeningen van Brugge; elke rekening begint op 2 sept.
    4. 1 pond groten = 12 schellingen, 1 schell.= 12 deniers groten, 1 pd.gr. = 12 pond parisis.
    5. De post “otters vangen in de reien” komt in de meeste rekeningen voor.
    6. De “mudderaars” hielden de straten vrij van modder; Brugse reinigingsdienst.
    7. Verwijs-Verdam, deel IV, p. 212: latoenen, d.i. van latoen, geel koper, gemaakt.

4. De Zwanen in de Damse Vaart

De Heren van Oostkerke bezaten de “vrye voghelrie ende zwanerie al Oostkercambocht duere, ende de baeten, proffyten ende emolumenten danof commende”. Het genoemde Ambacht omvatte de parochies Oostkerke, Westkapelle, St-Anna-ter-Muiden, Hoeke, Damme en St.-Katarina-buiten-Damme. “Ioncheere Ian de Baenst, sciltcnape Heere van Sint Iooris, broedere ende hoir van wylen loncheere Antheunis de Baenst, ende mer vrauwe van Archiez, zyne moye”, meenden dat hun zwanerecht zich ook uitstrekte over de Nieuwe Reie of Damse Vaart.

Als gevolg daarvan ontstond een konflikt, toen Brugge in 1522 had “doen vanghene inde Reye ende vaert tusschen der voorseiden stede van Damme twintich ionghe wilde zwanen, vanden welcken de achte ghebroet ghezyn hadden int ghemeene watere buuten Damme, de andere zesse int riet over den Gapaert, ende dandere int riet vander Reye tusschen den Drien Brauwers ende Halfweghe vanden Damme.
Hier moeten we eerst de situatie van de Nieuwe Reie bespreken. Deze kunstmatige waterloop takte af van de Reie te Brugge, op een punt 1 km ten noorden van de Molenbrug, liep vervolgens ca. 1 km doorheen de heerlijkheid Sijsele (1), en tenslotte ca. 4 km doorheen het Ambacht Oostkerke tot aan Damme. Op beide zijden van het kanaaltje lagen dijken, die aan de stad Brugge toebehoorden.

“Int ghemeene watere buuten Damme” betekent: in de Damse Vaart even ten zuiden van het stadje. De Gapaart was een herberg op de oostoever van de vaart, halverwege tussen Damme en de huidige herberg ‘t Apertje. Het bedoelde huis is waarschijnlijk afgebroken toen ca. 1810 het kanaal werd verbreed. De Drie Brouwers was een herberg op de westoever van de Damse Vaart, 1 km ten noorden van de Damse Poort; Halfweghe, eveneens een herberg op de zoëven genoemde oever, en wel halverwege tussen Damme en Brugge (1). Jan de Baenst en Mevrouw van Archies brachten de zaak van de zwanen voor de Raad van Vlaanderen. Zij hielden staande dat de bedoelde vogels gevangen waren “binnen den limiten vanden voorseiden ambochte van Oostkercke ende vander zwanerie vanden voorseidden heerschers”. Ze eisten een schadevergoeding van 20 pd. par.
De verweerders, nl. de tresoriers van Brugge, antwoordden “dat twatere, daer de zwanen, dies questie es, ghevanghen hadden gheweest, toebehoorde dien van Brugghe, aldaer de wethouders vander zelver stede hadden vulle. Iuridictie, recht van ballastghelde (2), visscherie, voghelrie, scauwinghe ende alle andere rechten, die den zelven watere toebehooren mochten, twelc recht metsgaders den grond vanden voorseiden watere dezelve van Brugghe tanderen tyden ghecocht hadden ieghens de edele voorsaten ons voorseit gheduchs heeren, voor den tyt ende al eer de heerlichede den heesschers toebehoorde, zonder datter blijcken zoude dat de plaetsen daer de voorseide zwanen ghebroet ghesyn hadden, ende triet over den Gapaert, noch triet van der Reye tusschen den Drie Brouwers begrepen was binnen den ambochte van Oostkercke”. De eisers konden niet bewijzen voor de rechtbank “dat de verweerders eeneghe zwanen ghevanghen hadden binnen den watere van Oostkercambocht”. De stad Brugge werd op 19 augustus 1522 vrijgesproken, en de aanklagers veroordeeld tot betalen van de proceskosten (3).
De tresoriers hadden dus, voor de Raad van Vlaanderen, de volgende belangrijke zaken bewezen: 1° de stad Brugge had in vroegere tijden de strook grond, waarin de Nieuwe Reie uitgegraven was, gekocht van de Graaf; 2° bij de bedoelde koop behoorden de boven opgesomde rechten; 3° de koop was gesloten voordat de heerlijkheid Oostkerke met haar bijhorende rechten gevormd was. Spijtig genoeg zegt de Groenenboeck geen woord over de bewijsstukken, die Brugge voorgelegd heeft.
Er rijzen bijgevolg allerlei problemen op, wanneer we, vertrekkende van de genoemde drie punten, pogen de oorsprong van de: Nieuwe Reie in tijd en plaats te situeren. We laten echter de kwestie van de rechten, die Brugge op de Damse Vaart bezat, voorlopig rusten, vooreerst omdat we niet de tekst van de dokumenten kennen, waarmee Brugge in 1522 gelijk gehaald heeft, vervolgens omdat de oplossing van het bedoelde probleem niet onder het bestek van onderhavig artikel valt.
Zoals gezegd bevestigde de Raad van Vlaanderen het zwanerecht van Brugge. op de Damse Vaart. De stad verpachtte reeds lang voor 1522, per openbaar opbod en telkens voor drie jaar, het visrecht op haar waterlopen. In augustus 1545 begon Brugge ook de volgende rechten te verpachten: ”de vry voghelrie ende zwanerie deser stede inde vaert tusschen Brugghe ende Damme, beghinnende vander Speypoorte totter speye ten Damme”. De pachter van die zwanerie was meestal een persoon, drie tevens een sektor van een aangrenzende waterloop in gebruik nam.

We vermelden hier de pachters uit de periode 1545 tot 1562:
stadsrekening

  • 1545-46, f° 26 v°; 1546-47, f° 26 r°; 1547-48, f° 27 v°: Nicasius Prummbout, 8 sch. 4 gr. per jaar,
  • 1548-49, f° 27 v°; 1549-50, f° 29 v°; 1550-51, f° 30 v°: Hoste Van hende, 10 sch. gr. per jaar.
  • 1551-52, f° 26 r°; 1552-53, f° 25 v°; 1553-54, f° 26 r°: Victor Decorte, 2 sch. gr. per jaar.
  • 1554.-55, f° 26 v°; 1555-56, f° 26 r°; 1556-57, f° 28 v°: Hoste Vanhende, 6 sch. 8 gr. per jaar.
  • 1557-58, f° 32 v°; 1:558-59, f° 31 r°; 1559-60, f° 34 v°: Vanhende Hoste, 3 sch. 4 gr. per jaar.
  • 1560-61., f° 33 v°; 1561-62, f° 33 v°: Adriaen Codde.

De zwanen van de Damse vaart hebben een late naklank gekregen. De Voorzitter van onze Kring, de heer Rene De Keyser, vestigde ca. 1950 de aandacht van Baron Joseph van der Elst, de toenmalige eigenaar van het Kasteel van Oostkerke, op de onenigheid die in 1522 tussen Brugge en zijn voorganger, Jan de Baenst, ontstaan was. Na onderhandelingen met de stad, kon Baron J. van der Eist in 1951 een koppel witte zwanen van de stad Brugge in leen krijgen.

Vanaf dit ogenblik zwemmen op de walgracht van het Kasteel van Oostkerke. De baron heeft verder in 1969 een koppel zwarte Australische zwanen gekocht (4).

Nota’s

  1. W. Wintein, Kaart van Koolkerke, Rond de Poldertorens 7e jaar Nr. 1. Zie nr. 226: Drie Brouwers, en nr. 188: Halverwege.
  2. Ballast: een waardeloze last, die een ledig schip inneemt om in evenwicht te blijven. In de middeleeuwen werd grond uit de oever van een waterloop genomen. Dit mocht men echter niet zonder de bezitter van het plaatselijk waterrecht te erkennen, nl. door hem een “ballastghelt” te betalen.
  3. SAB, Geluwenboeck f° 193 v° en 194 r°. Kopie in het Sententieboeck f° 12 v°. Geciteerd door Gilliodts, Cout. du Bourg
    de Bruges, deel II, p 408.
  4. Ons medegedeeld door R. De Keyser.
     
  5. Brugge kon in 1275 de bedoelde strook van het Sijseelse annexeren; vanaf dit ogenblik strekte het stadsgebied van Brugge zich langs de Damse vaart uit tot een punt waar een tijd later de herberg Drie Brouwers opgericht werd.

5. Reigers, Patrijzenaars, Duiven en Ooievaars

Onder het vogelrecht vielen niet alleen de patrijzen, maar ook de reigers en de duiven. De reeds aangehaalde Keuren van het Vrije trachtten deze vogels door middel van de volgende boeten te beschermen: reigers schieten, 10 pd. par.; duiven vangen, 3 pd. 70. par. (1). Daarbij werd in het Proostse en het Kanonnikse een overtreding tegen de patrijzenjacht met een: boete van 10 pd. par. bestraft, “ende de netten ende engienen daertoe dienende te nieuten te doene” (2).
Op 10 maart 1547 aanhoorden de schepenen van het Vrije het geval van “Jan van Male, vrylaet in Jabbeke” die geschoten had naar de reigers van “Joncheere Ghilein van Haefskercke”. Hem werd verboden “te schietenè mette busse naer de reyghers vanden heere, ofte omtrent de bomen ende plaetse daer de reyghers broen, up peyne begrepen inde placaten vande K.M. ende de cueren, ende scerpe pugnitie” (3).

Na overleg met de Heeren, die in het Vrije leengoederen bezaten, besloot het schepenkollege op 6 september 1568 het “vanghen met netten ende schieten vanden duve ten lande ende appendantsche vanden Vryen” toe te staan. Tevens werd herinnerd aan de bestaande reglementering inzake de duivenkweek: “wel verstaende dat men ande heere verzoucken zal, datmen observere de cueren nopende ‘t ghetal vanden duiven, diemen houden mach, staende inde articelen vande duergaende waerhede, verbindende gheen duufhuusen te houdene daer duven inne zyn, hy en zy gheerft tot XXV ghmeten lants inde zelve prochie ofte naeste prochie, upde boete van VI £ par. ende van vloghen te houden, daer boven XII paer duven inne wuenen, up zulcke maniere ende verbuerte als van de duufhuusen”(4).

De Flou, deel XIII, 395-404, kent tientallen toponiemen met als eerste lid reiger. We vermelden hier de interessantste: de Reigerie, een hofstede te Ramskapelle; de Reigerie, een hoeve te Westkapelle, “aldus genoemd naar de vele reigers, die er nog onlangs (voor 1940), nestelden”; de Reigersputten, “een bosch, onder Tilleghem, te St.-Michiels”.

In deel III, 659-62 en 684-87, staan ongeveer 50 plaatsnamen samengesteld met de term duif, de meeste ervan heten Duifhuis of Duivekeet. Die namen. bedoelden, zoals we zojuist zagen, niet alleen leenhoven met duiverecht, maar ook allodiale landgoederen (5). Verder zijn er ca. 25 patrijs-toponiemen (deel XII, 455-57). In Biekorf wijdt A. Viaene een interessante bijdrage aan de ooievaar. Ook in Vlaanderen was die vogel in de middeleeuwen een bekende gast. Niet alleen hoeven te velde, maar ook huizen in de steden droegen op de schouw “den stoel van het ooievaarsnest”. Schrijver noemt een viertal hofsteden Ooievaarsnest in West-Vlaanderen (6), en enkele te Brugge en Gent die de Ooievaar geheten werden. In de 15e eeuw kozen ooievaars de schouw van het schepenhuis te Oudenburg als woonplaats.
In 1824 vaardigden de wetheren van Veurne een speciaal reglement uit ter bescherming van de ooievaars die op een zijtoren van de St.-Walburgakerk nestelden, en van de vier zwanen die ze in de stadswal lieten zetten. Het besluit verbood, op boete van 25 gulden, “eenige oeyvaaren, tamme zwanen of de jongen er af voortskomende te dooden, ‘t zij met de zelve te schieten met welkdanig geweer het zoud mogen wezen, of door andere middelen de dood dier gedierte te verhaasten” (7).
A. Viaene verhaalt een paar legenden over de ooievaar. Hij verzoekt verder zijn lezers mede te delen of ze jongere vermeldingen van ooievaars kennen dan de bovengenoemde attestatie van 1824.

Rodts antwoordt, steunend op R. Verheyen, de Steltlopers van België, “dat de laatste bezette ooievaarsnesten gelegen waren te Steenkerke bij Veurne (1880) en te Gistel (1895); L. Delandmeter citeert het ooievaarsnest van Gistel (Î895) uit Léon Lippens, Tous nos oiseaux en couleurs; J. Maes kent een boomgaard “Ooievaartnest” te Wervik in 1616 (8). Tenslotte meldt B. dat vanaf 1965 opnieuw ooievaars nestelen in het vogelreservaat van het Zwin (9).

Nota’s

  1. Gilliodts, Cout. Franc de Bruges, deel 1, p 796.
  2. Gilliodts, Cout. Prévoté de Bruges, p 456.
  3. RAB, Reg. Vrije 16611, Ferien Vrije 1545-50, f° 233 v°.
  4. RAB, Reg. Vrije, Rezoluties 1555-79, f° 229 r°
  5. Zie nog de volgende toponiemen: de hoeve Duivekete te Ramskapelle; het perceel Duivekotstuk te Lissewege (M. Coornaert, Het Land achter de Evendijk, R.de P. 5e jaar nr 4, p 166 en 177); de hoeve Blauwe Duivekeet te Uitkerke (Coornaaert, Uitkerke p. 100); de hoeven Duivekete, Duivekot en Duivestuk (St.-Pieters-op de-Dijk, p. 247, M. Coornaert).
  6. Zie ook: St.-Pieters-op de-Dijk, p. 219 en 278.
  7. A. Viaene, Ooievaarsnesten in West-Vlaanderen, Biekorf 65e jaar (1964) p. 134-138.
  8. Biekorf, 65e jaar, p. 222 en 348.
  9. Biekorf, 66e jaar (1965) p. 136.

Zwanen en andere Vogels in het Oud Regime

Maurits Coornaert

Rond de poldertorens
1974
02
059-072
Vincent Willem
2023-06-19 14:40:26