Vakantiekolonies waren tot in de jaren 1980 een wijdverspreid fenomeen. Vanuit de steden in het binnenland komt vanaf het einde van de 19e eeuw een stroom van kinderen op gang naar de kust, ook naar Heist en Knokke aan de Oostkust. De burgerij probeerde hiermee greep te krijgen op de verpaupering en sociale onrust, die gevolgen waren van de industrialisering.

Liberale filantropische verenigingen wilden met de vakantiekolonies kinderen mobiliseren voor het openbaar onderwijs. Zij zagen het onderwijs als oplossing voor de sociale kwestie: kinderen gedragsregels aanleren en hen zo een moreel besef bijbrengen. Liberalen zamelden geld in om de kolonies te kunnen organiseren.

De katholieken bleven niet achter en richtten soortgelijke instellingen op om zo de christelijke invloed op de bevolking behouden. Met het inperken van de kinderarbeid (1889) en het invoeren van de leerplicht (1914) werd de nood aan opvang tijdens de vakanties groot. Veel kinderen hingen op straat rond en werden als een bedreiging ervaren.

Vakantiekolonies waren ook een middel in de strijd tegen tuberculose. Kinderen, het toekomstige kapitaal, moesten hiertegen beschermd worden. Het verblijf in een kolonie was een hygiënekruistocht. Kinderen leerden er zichzelf te verzorgen, om zo te vermijden ziek te worden. Het succes van de kolonies werd gemeten aan de ‘aangekomen’ kilo’s.

Na de Eerste Wereldoorlog kwam ook de overheid tussen door de oprichting van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (NWK, nu Kind en Gezin). Het NWK subsidieerde en controleerde de kolonies en organiseerde zelf modelkolonies. Vanaf de jaren 1920 organiseerden ook de socialisten kindervakanties om het lidmaatschap van de mutualiteit te propageren.

Na de Tweede Wereldoorlog kregen de mutualiteiten van de verschillende zuilen overheidssubsidies, waardoor zij de belangrijkste organisatoren werden. Alle loontrekkenden werden verplicht om zich bij een ziekenfonds aan te sluiten. Vakantiekolonies waren niet langer enkel bedoeld voor zwakke arbeiderskinderen, maar stonden voor alle kinderen open.

Mutualiteiten hechtten meer belang aan een meer professionele begeleiding van de kinderen en tbc was in grote mate teruggedrongen. Toch bleven zij de vakantiekolonies zien in het kader van de preventieve gezondheidszorg, vooral als een medisch-hygiënisch project.

Naast de vakantiekolonies stond het NWK ook in voor de erkenning van en toezicht op de kindertehuizen. Aan zee richtten privépersonen villa’s (in eigendom of gehuurd) in zodat ze tijdens de vakantiemaanden een groep individuele kinderen konden opvangen en met begeleiding van ingehuurde monitoren een paar weken vakantie aan zee geven.

In 1980 zette de Belgische overheid een punt achter de subsidies voor preventieve luchtkuren en de vakantievilla’s. Samen met de groeiende afkeer tegenover de massale en uniforme aanpak, betekende dit het definitieve einde van de grootschalige vakantiekolonies.

 

 


Overzicht | Inleiding | 1886-1918 | 1919-1944 | 1945-1980 | Kinderhomes | Heist | Duinbergen | Knokke | Het Zoute | Colofon